<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	xmlns:georss="http://www.georss.org/georss" xmlns:geo="http://www.w3.org/2003/01/geo/wgs84_pos#" xmlns:media="http://search.yahoo.com/mrss/"
	>

<channel>
	<title>Norsk</title>
	<atom:link href="http://whatsthatvoice.wordpress.com/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>http://whatsthatvoice.wordpress.com</link>
	<description>door Jeroen Van Boxem</description>
	<lastBuildDate>Sun, 04 Feb 2007 19:56:47 +0000</lastBuildDate>
	<language>nl</language>
	<sy:updatePeriod>hourly</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>1</sy:updateFrequency>
	<generator>http://wordpress.com/</generator>
<cloud domain='whatsthatvoice.wordpress.com' port='80' path='/?rsscloud=notify' registerProcedure='' protocol='http-post' />
<image>
		<url>http://s2.wp.com/i/buttonw-com.png</url>
		<title>Norsk</title>
		<link>http://whatsthatvoice.wordpress.com</link>
	</image>
	<atom:link rel="search" type="application/opensearchdescription+xml" href="http://whatsthatvoice.wordpress.com/osd.xml" title="Norsk" />
	<atom:link rel='hub' href='http://whatsthatvoice.wordpress.com/?pushpress=hub'/>
		<item>
		<title>Norsk Hoofdstuk 5 (work in progress)</title>
		<link>http://whatsthatvoice.wordpress.com/2007/01/27/hoofdstuk-5-prille-begin/</link>
		<comments>http://whatsthatvoice.wordpress.com/2007/01/27/hoofdstuk-5-prille-begin/#comments</comments>
		<pubDate>Sat, 27 Jan 2007 13:23:59 +0000</pubDate>
		<dc:creator>lepermessiah</dc:creator>
				<category><![CDATA[Hoofdstuk 5]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://whatsthatvoice.wordpress.com/2007/01/27/hoofdstuk-5-prille-begin/</guid>
		<description><![CDATA[5. Kinderen van het Duister Zware regendruppels lieten zich gewillig meevoeren door de wind om vervolgens uiteen te spatten in een heldere blauwe fontein van kleine pareltjes op de levenloze lichamen van de dode Dwergen. Het maanlicht schitterde in de druppels, alsof duizenden kleine waterparels in vreugde danste op de dode silhouetten van de gesneuvelde [...]<img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=whatsthatvoice.wordpress.com&amp;blog=595820&amp;post=12&amp;subd=whatsthatvoice&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><strong>5. Kinderen van het Duister</strong></p>
<p>Zware regendruppels lieten zich gewillig meevoeren door de wind om vervolgens uiteen te spatten in een heldere blauwe fontein van kleine pareltjes op de levenloze lichamen van de dode Dwergen. Het maanlicht schitterde in de druppels, alsof duizenden kleine waterparels in vreugde danste op de dode silhouetten van de gesneuvelde krijgers. Ver achter de donkere wolken, die met veel plezier de dikke druppels uitbraakten, schitterden miljoenen sterren tegen de achtergrond van het pikzwarte heelal. Ergens verscholen in deze ontastbare wereld, in Asgard, diep ingegraven in het weefsel van het universum, aanschouwden de drie Nornen het bloederige schouwspel. De figuren van de Dwergen werden vervormd door de grillige facetten van de grote, vuurgele topaas waarin de drie verschrompelde oude lotswezens het aardse leven konden volgen. De Nornen zaten op rieten stoelen in de schaduw van een oeroude boom wiens wortels het universum leken te voedden. Diepe rimpels doorkruisten hun gezicht, als wind die een meer beroert, en spierwitte haren bevolkten hun scalp. De drie Nornen waren gehuld in een lang donkergroen gewaad met een grote kap die hun ogen verstopte. Naast hen glansde een veelkleurige brug in de duisternis die verdween in de eeuwige duisternis. Net buiten de schaduw van de grote boom, een duistere plas die het licht opslokte, stond een oude waterput. De verweerde stenen en de ijzeren kroon waaraan een emmer bengelde, wiegden zachtjes heen en weer in het ijle licht van de sterren. In het gras voor de voeten van de drie oude wezens lag een onmetelijk lang wandtapijt dat ontsproot uit de drie houten weefgetouwen die vastgegroeid leken tussen hun dijen. Het fijne garen, een complex patroon van verschillende kleuren, was schijnbaar zonder enige regelmaat doorheen gevlochten Langzaam en met een vast ritme draaiden ze aan het weefgetouw. Duizenden draden leken te vertrekken vanuit hun vingers, om al snel in de anonimiteit van het wandtapijt te verdwijnen. Verdandi, Het Zijn, zat in het midden en was gefixeerd op haar spinnewiel. Geconcentreerd hield ze de topaas in de gaten. Links van haar zat Urd, Het Verleden, haar wel erg lange haar raakte haast de grond. Met een grote gouden schaar knipte ze losse eindjes uit het tapijt. Op haar spinnewiel lag een laagje stof en tussen haar dijen, waar het weefgetouw vastgegroeid leek, bevond zich een kluwen van spinnenwebben. Langzaam maar zeker ging de gouden schaar open en dicht, met elke klik van de scherpe vlakken werd een leven op aarde hardvochtig afgebroken. Diezelfde schaar had de vele levens van het Dwergenleger zojuist verknipt. De laatste Norn Skuld, De Toekomst, zat net buiten de zwarte schaduwplas van de boom. Aan haar voeten stond een grote mand met garen, allemaal draden met een andere kleur en dikte. Gespannen grabbelde Skuld in de mand om de juiste draden te selecteren en op haar weefgetouw te plaatsen.</p>
<p>Dvalin keek Nithhogg recht in de ogen, de diepe zwarte poelen waarin nachtmerries geboren worden. De draak vulde zijn longen met de koude nachtlucht en ademde traag terug uit, alsof hij zich moest inhouden om toe te slaan en de kleine dwerg in één hap naar binnen te werken. De spookachtige sliertjes warme drakenadem kronkelden als riviertjes rond het hoofd van de Dwergenkoning. Het kostte hem al zijn moed om het beest in de ogen te blijven staren, het zwaard dat nu hevig gloeide in zijn hand, leek zijn doorzettingsvermogen en wilskracht te voeden. Uiteindelijk gaf Nithhogg zich gewonnen en met een laatste blik op het runenzwaard wendde hij zijn ogen af. Voorzichtig stak Dvalin zijn hand uit en hij raakte de kop van het monster zacht aan. Vanaf het moment dat Dvalin zijn vingertoppen over de schubben van Nithhogg liet glijden, ging er een siddering door het massieve lijf van de draak. Verschrikt probeerde Draak der Plagen te bewegen, maar hij bleef vastgenageld aan de grond staan. De Koning der Dwergen, de hand nog steeds op de kop van het zwart gevleugelde beest, sloot zijn ogen en liet zijn gedachten dwalen. Hij concentreerde zich op de gloed van het runenzwaard in zijn hand en putte energie uit het warme licht dat eruit opsteeg. Omgeven door het magische licht probeerde de Dwerg de geest van Nithhogg binnen te dringen. De doolhof binnenin Nithhoggs geest werd overheerst door een maalstorm van haat en woede. Bijna overspoelde de duisternis het licht van Dvalins geest, de haat en woede overrompelde reden en emotie. Vastberaden hield de Dwerg stand en verdreef hij de duisternis met de energie die hij uit het runenzwaard puurde. De siddering die door het lichaam van de draak raasde stopte plots en Dvalin opende uitgeput zijn ogen. De blik in Nithhoggs ogen was veranderd, de woede en haat leken vastgeketend ergens diep in de ziel van de draak. Zijn pupillen waren koud en emotieloos, een marionet opgehangen aan touwtjes, touwtjes die rechtstreeks naar Dvalins geest leidden.   </p>
<p>Met elke plof van hun voeten spatte een sierlijke fontein van druppels en slijk in het rond. De drie mannen bliezen de donkere nacht een beetje kleur in met hun adem. Grillige wolkjes die snel verspreid werden door de demonisch blazende wind, alsof de duisternis geen duimbreed wou toegeven en elk sprankeltje hoop wilde opslokken. De Dunne en de Dikke bleven zo dicht mogelijk bij hun koning, zijn amulet verdreef de vraatzuchtige mist die hun ledematen daarnet nog verlamd had. Als een warm mes sneden ze door het kwade. Gesloten luikjes en ratelende dakpannen suisden voorbij met elke bocht en afslag. Links en rechts door de nauwe steegjes, in de verte doemde de noordelijke poort al op. De gigantische deuren stonden op een kier. De vier donkere silhouetten van de poortwachters leunden versteend als standbeelden tegen de houten deuren. Eerder die avond hadden ze de duisternis die de mist met zich meedroeg van ver zien aankomen. Haastig waren ze de lange stenen trap afgerend om de poort te sluiten en het nakende gevaar buiten te sluiten. Maar met de snelheid van een valk in duikvlucht had de mist zich over het land verspreid. Als een slang had de duisternis zich door de poort gewrongen en de verschrikte soldaten opgeslokt in zijn moordlustige strooptocht. Wanneer Koning Dagrun en zijn kompanen naderden, een heftig gloeiende baken in het donker, leken de spieren van de poortwachters te rillen. Een huivering sloop door hun ruggengraat en vertrok hun gezicht in een afschuwelijke grimas van pijn en angst. De mist wilde zich niet gewonnen geven en hield zijn prooi krampachtig vast. Met grote stappen rende het gloeiende trio naar de poort. De lichamen van de wachters begonnen zich in allerlei vreemde bochten te wringen, de monden van de arme soldaten stonden wagenwijd open, maar de kreten van pijn werden hardvochtig tegengehouden door de duistere belager. Dagrun, nu op enkele meters genaderd van de verdraaide vier, stak zijn hand uit naar hen. Een lichtflits schoot uit zijn handpalm. Felle lichtstralen baanden zich een weg door de zwarte mist en rukten de lichamen van de onfortuinlijke vier los uit de greep van zijn donkere vijand. Met een kreet van opluchting en pijn vielen ze op de grond. Het leek alsof alle leven uit hun gezicht weggezogen was, met hun vale huid en rode ogen leken ze eerder op skeletten dan op dappere krijgers van Mannheim. Sterk verzwakt krabbelden de mannen recht en maakten een krampachtige buiging naar hun koning. Ze hielden hun ogen strak op de grond gericht terwijl de kleinste van de drie zich begon te verontschuldigen.<br />
‘We hebben u gefaald Sire, we zijn de naam wachter niet waardig,’ mompelde hij, ‘we staan in voor de veiligheid van de bewoners en…’<br />
‘Tegen bovennatuurlijke krachten kan niemand iets beginnen,’ onderbrak Dagrun bruusk, terwijl hij oogcontact zocht met de beschaamde mannen.<br />
‘We zouden onze fout graag rechtzetten Sire, hoe kunnen we u helpen?’ bood de kleinste poortwachter aan. De trilling in zijn stem trok langzaam weg en zijn aanbod klonk oprecht.<br />
‘Enig idee wat ons opwacht daarbuiten?’ vroeg de Koning met een knikje naar het zware houten gevaarte dat nu de weg versperde tussen het Licht en het Duister. De vier keken elkaar vragend aan en schudden teleurgesteld met hun hoofd. De akelige witte huid en de bloeddoorlopen ogen waren haast verdwenen en de strijdlust was af te lezen uit de uitdrukking op hun hoekige gezichten.</p>
<br /><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/categories/whatsthatvoice.wordpress.com/12/" /> <img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/tags/whatsthatvoice.wordpress.com/12/" /> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gocomments/whatsthatvoice.wordpress.com/12/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/comments/whatsthatvoice.wordpress.com/12/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godelicious/whatsthatvoice.wordpress.com/12/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/delicious/whatsthatvoice.wordpress.com/12/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gofacebook/whatsthatvoice.wordpress.com/12/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/facebook/whatsthatvoice.wordpress.com/12/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gotwitter/whatsthatvoice.wordpress.com/12/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/twitter/whatsthatvoice.wordpress.com/12/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gostumble/whatsthatvoice.wordpress.com/12/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/stumble/whatsthatvoice.wordpress.com/12/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godigg/whatsthatvoice.wordpress.com/12/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/digg/whatsthatvoice.wordpress.com/12/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/goreddit/whatsthatvoice.wordpress.com/12/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/reddit/whatsthatvoice.wordpress.com/12/" /></a> <img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=whatsthatvoice.wordpress.com&amp;blog=595820&amp;post=12&amp;subd=whatsthatvoice&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://whatsthatvoice.wordpress.com/2007/01/27/hoofdstuk-5-prille-begin/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
	
		<media:content url="http://0.gravatar.com/avatar/c7515fb5501b1586d16a7eb128d558cc?s=96&#38;d=identicon" medium="image">
			<media:title type="html">lepermessiah</media:title>
		</media:content>
	</item>
		<item>
		<title>Norsk Hoofdstuk 4</title>
		<link>http://whatsthatvoice.wordpress.com/2006/12/06/norsk-hoofdstuk-4-deel-1/</link>
		<comments>http://whatsthatvoice.wordpress.com/2006/12/06/norsk-hoofdstuk-4-deel-1/#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 06 Dec 2006 19:52:27 +0000</pubDate>
		<dc:creator>lepermessiah</dc:creator>
				<category><![CDATA[Hoofdstuk 4]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://whatsthatvoice.wordpress.com/2006/12/06/norsk-hoofdstuk-4-deel-1/</guid>
		<description><![CDATA[4. Zwarte Nacht Huilend blies de wind langs de vele schoorstenen. De pannen schudden heftig en pruttelden hard tegen alvorens los te laten en kapot te springen op de grond vele meters lager. De zwarte wolken gooiden hun duistere schaduw nonchalant over het landschap. Het Spiegelmeer reflecteerde de verduisterde hemel en het eens zo feeërieke [...]<img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=whatsthatvoice.wordpress.com&amp;blog=595820&amp;post=8&amp;subd=whatsthatvoice&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><strong>4. Zwarte Nacht</strong></p>
<p>Huilend blies de wind langs de vele schoorstenen. De pannen schudden heftig en pruttelden hard tegen alvorens los te laten en kapot te springen op de grond vele meters lager. De zwarte wolken gooiden hun duistere schaduw nonchalant over het landschap. Het Spiegelmeer reflecteerde de verduisterde hemel en het eens zo feeërieke oppervlak veranderde in een kleverige plas zwarte gal. De wind rukte aan de kruinen van de bomen die weerbarstig de woeste aanval afweerden. Razend en gierend beukte de wind in op de hoge bergkammen waar hij gevangen werd in de eindeloze doolhof van grotten en gangen. Dieper en dieper, langs spierwitte stalactieten die als tanden van een oeroud ondergronds monster in het duister hingen. De grillige holten van de grotten versterkten het gegier van de wind die er als een wilde doorheen suisde. Het schelle gekrijs dat zo ontstond was te horen ver voorbij de vlakte van Vigrond tot in Midgard, waar vele kinderen angstig door het raam richting bergen tuurden. Furieus zette de wind zijn tocht verder door de berggangen om ten slotte uit te komen diep onder de wortels van de bergketens, in de grommende buik van de aarde…Links en rechts draaiden de eindeloze tunnels in de massieve rotslagen. Zachte leisteen veranderde in harde leisteen die als een zwarte slang dieper de aarde ingroef. Witte marmer met rode aderen en zilverachtige kwarts doorkruisten elkaar en vormden zo een wervelend geheel van flitsende kleuren. Dieper en dieper, zwarter en donkerder. Pikzwarte magmalagen slokten de edele rotslagen op. Dieper en dieper, zo diep dat het licht leek te verbleken in de eindeloosheid. Zo diep dat zelfs de eens zo woeste wind niet meer wist wat zeggen. Links en rechts, op en neer, dieper en dieper, smal en breed tot plotseling de eindeloze gangen weggaven in het niets. </p>
<p>Slapend en diep onder de wortels van de bergen bevond zich een heel andere wereld. Een wereld waar licht en duister vreemde begrippen waren, een wereld waar de enige kleuren diverse tinten van zwart omvatten. De klamme atmosfeer die er heerste drukte elk teken van leven kapot, verbrijzelde enige hoop van groen. Een grauw licht, niemand wist precies waar het vandaan kwam, verlichtte de zwarte vlakte. Golvende rotslagen werden bedekt door verharde lava, een dikke laag gitzwarte pek die over het landschap sloop als een lijkwade. Geen zucht wind zorgde voor verkoeling of beweging in het enge landschap, alleen de trage stromen roodgloeiende lava die hier en daar vanuit de oppervlakte ontsproten onderscheiden het apocalyptische tafereel van een bevroren schilderij. De dikke rode stroop sneed diepe dalen en holen in de bodem van de zwarte vlakte en zette onverstoorbaar zijn destructieve werk voort. IJskoud water, dat vaak jaren door ontelbare rotslagen had gesijpeld, verzamelde zich in de gaten en bracht zo toch nog enige bron van leven in de doodse omgeving. Gras of ander groen gewas had geen schijn van kans om hier te overleven, enkel bikkelharde vegetatie kon hier een troosteloos bestaan leiden. De sappen die door de vaatbundels van het dichte hout van de dorre struiken vloeiden hadden een bloedrode kleur en hun takken werden bekleed door een dicht tapijt van scherpe stekels en doornen. In plaats van zich te voeden met zonnelicht drongen hun wortels diep door onder de oppervlakte van de kleine zwarte meertjes die de vlakte rijk was, waar ze geduldig wachtten op een voorbij zwemmende blinde vis. Met hun naaldachtige wortels boorden ze gaten in het zachte vlees van de zilveren vissen en zogen genadeloos het vocht uit hun tere lichaam. De strijd op leven en dood was nergens zo hard als in Nidavellir, de Donkere Velden.</p>
<p>De ijzige stilte die heer en meester was op de Donkere Velden vond alleen zijn meerdere in het griezelige geluid van de klokkentoren dat eindeloos weergalmde langs de smalle kraters en ravijnen die in het landschap sneden. Een groene koperen klepel bewoog met een hypnotiserende slingerbeweging heen en weer binnenin haar duistere omhulsel. De klokkenstoel kraakte treurig onder het zware gewicht van het verroeste geheel. Ritmisch galmden de valse klanken over de Donkere Velden. Een dodenmars, want voor elke slag van de klepel brandde er iemand in de groene vuren van het domein van de Ondergrondse halfgod Hel.</p>
<p>Gjoll, de ijskoude rivier die het domein van Hel vastberaden in haar kille vuist sloot, klotste troosteloos tegen de grauwe muren. Gigantische zwartgeblakerde magmakeien en metalen pieken vormden een ruwe omheining die amper het begrip muur waardig waren. Een kleverige brij hield de puinhoop van metaal en steen bijeen. Het vormeloze geheel leek alsof iemand alle ingrediënten: vettige brij, metaal en steen, in een emmer had gegooid om het geheel vervolgens van op grote hoogte uit te gieten tussen de vier torens die het domein afbakenden. De vier glanzende spitsen, die de duistere omgeving vervormden in hun weerspiegeling, rezen statig op vanuit de klodder steen en metaal. De lange, puntige pieken op hun daken doorprikten de zwarte wolken die permanent boven Helheim in een apocalyptisch spiraalvormige deining cirkelden. Rond en rond cirkelden ze, alsof ze wilden benadrukken dat er geen weg meer terug is uit de spiraal dat uiteindelijk tot de dood leidt. Wat begraven lag tussen deze vier Wachters van de Dood wisten alleen zij die het nooit meer zouden navertellen.</p>
<p> Het angstaanjagende klokkengelui ging gepaard met een schel gekrijs dat ergens vanuit de zwarte magmagrond ontsproot ver buiten de walgelijke muren van Helheim. Ergens in de schaduw, voor zover men in de Donkere Velden van schaduw kon spreken, bevond zich een open ronde plaats die bezaaid was met klungelig vormgegeven aardverhogingen. Best vergelijkbaar met gargantueske molshopen, vormden deze vreemde uitstulping de woonplaats van Dvalin en zijn gevolg. Vreemde creaturen slopen heen en weer tussen de hopen, zenuwachtige gedrongen lichamen keken schichtig om zich heen. Eerst naar de donkere vlakte in het zuiden, dan naar de statige bergtoppen in het noorden. Net een mierenkolonie die elk moment een aanval verwacht van een reusachtige miereneter. De vormeloze lichamen van de Dwergen waren moeilijk te beschrijven. Korte maar gespierde benen werden opgeslokt door zware lederen laarzen, zodat het leek alsof de romp vastzat in de schoenen. Het formaat van hun voeten was niet in proportie met de rest van hun lelijke lichaam. Als twee lompe aanhangsels wezen ze voor zich uit. Door de enorme schoenmaat bewogen de Dwergen zich ook maar sloom en ietwat stuntelig voort. De romp die ontsproot uit de laarzen was ingepakt in een dikke dierenhuid die diende als bescherming tegen de kille vrieswinden, maar tevens ook als bescherming tegen de onheilspellende natuur van Nidavellir. Aangezien er weinig of geen dieren konden overleven in de Donkere Velden, gingen de mantels vaak van vader op zoon, een erfstuk. De traditie hield in dat de zoon de scalp van zijn overleden vader moest verwijderen om ze vervolgens te bevestigen op de mantel. Zo zouden de geesten van de voorvaders de drager beschermen. Deze lugubere traditie zorgde ervoor dat de Dwergen er woest en onvoorspelbaar uitzagen. De baard die de meesten onder hen met trots droegen maakte het plaatje compleet. Boven hun dichte gelaatsbegroeiing stond een stompe neus en keken twee gitzwarte ogen die het licht leken op te slorpen. Volgens de overlevering werden de Dwergen geboren als maden in het vlees van Ymir om zo uit te groeien de vreemde wezens die ze nu zijn. Ze werden altijd als ondergeschikt ras beschouwd en moesten hun toevlucht zoeken in de onderwereld van het mensenrijk. Hoe een Dwerg precies geboren wordt weet niemand, aangezien er geen Dwergenvrouwen bestaan.   </p>
<p>Dvalin klemde de hamer in zijn hand en sloeg met al zijn macht op het withete metaal dat voor hem op het aanbeeld lag. Felle gele en witte gensters spatten in het rond en maakten kleine brandwondjes op de brede armen van de meester-smid. Langzaam maar zeker veranderde het vormeloze metaal in iets van sublieme schoonheid. Hoe meer agressie Dvalin in zijn slagen pompte, hoe gedetailleerder de fijne vormen en tekeningen in het edele metaal werden. Ritmisch bleef de gehavende hamer op en neer gaan in de withete storm die zich krampachtig vastklampte aan de hoeken van het zware aanbeeld. Kleine zweetdruppeltjes kropen over Dvalins’ gezicht. Sommigen werden opgeslorpt in de warrige, vuile baard van de Dwerg, anderen hadden minder geluk. Zij bengelden hopeloos aan het uiterste puntje van Dvalins’ neus waar ze verschrikt leken te wachten op een vurige dood op het gloeiende metaal. Het gesis van zweet op heet metaal mengde zich met het ritmische gekletter van de hamer en de aardhoop schudde van Dvalins’ inspanningen in zijn smidse. Dvalin had enkele uren nodig om het ruwe edelmetaal, een zeldzaam zwart goud dat fel geel glansde wanneer de zon het raakte, op bijna magische wijze te transformeren in een prachtig afgewerkt geheel. Fijne lijnen schreven waanzinnig gedetailleerde runen in het glanzende zwartgoud, magische spreuken die het voorwerp vreemde eigenschappen meegaf. Uitgeput legde de smid de hamer, wiens vlakken warm stonden, terug op de tafel, tussen al het andere gereedschap. Vreemdsoortige beitels en veilen, gekrulde tangen in alle maten en soorten, een handblaasbalg, fijne hamertjes en kanjers van mokerhamers, lagen allemaal netjes onderhouden en gerangschikt op de lange eiken tafel. Met zijn behaarde arm veegde hij de laatste zweetdruppels van zijn voorhoofd, greep met één van de vele tangen het gloeiende voorwerp, en stak het langzaam in een emmer helder water. Sissende zwarte dampen stegen op aan de oppervlakte van het water, grillige figuren grepen met lange vingers krampachtig hemelwaarts. Buiten klonk een ijzingwekkende gehuik, schril en onwezenlijk. Het werk was klaar, het plan kon van start gaan.</p>
<p>Yrsa schrok wakker van een luide donderslag en trok het zachte deken van schapenwol wat strakker om zich heen. Naast haar lag haar lelijke wederhelft Gunnar onrustig te knorren, hij woelde en wroette in zijn slaap. De dunne houten pannen op het dak ratelden onder het geweld van de gierende wind, het geklapper van de luikjes echode door de vele smalle straatjes van Mannheim. Er was iets vreemd aan de gang, Yrsa had het al een hele dag gevoeld. Het weer was abnormaal guur voor deze tijd van het jaar en die wind! Het leek haast alsof de wind de ziel uit je lijf wilde snijden om hem mee te voeren naar de onderwereld. Gunnar had het ook al opgemerkt. Als schipper was hij heel gevoelig voor veranderingen in het weer of het klimaat. Meestal kon hij de komst van een storm voorspellen aan de hand van de wolken of de richting waaruit de wind blies. Vanavond niet, het was alsof zijn weersgevoel hem volledig had verlaten en het stoorde hem. Zelfs het ledigen van een paar horens bier in Odins Oog hadden zijn gemoed niet kunnen sussen. Het grauwe weer leek iedereen te beïnvloeden. De sfeer in de kroeg was al even vrolijk als de dikke, zwarte regenwolken die zich op dat moment boven Mannheim verzamelden. Hösvi, de oude kroegbaas, stond mistroostig in zijn haar te krabben en zijn ogen staarden in het niets. De eeuwige glimlach, een gapend gat met hier en daar iets wat leek op een tand, was verdwenen, alsof de zorgen van de wereld op zijn rug rustten. Galinn de Gek zat zoals steeds op zijn kruk maar ook hij was niet in zijn sas. In plaats van horen na horen in zijn keelgat te gieten, luidruchtig te zingen, en op de toog te dansen, zat hij nu wat te suffen. Hij staarde naar het goddelijke gerstenat, alsof hij nog nooit bier had gezien. Blik op oneindig, zijn mond een beetje open. Voor de eerste keer in de geschiedenis van de mensheid was het akelig stil in Odins Oog, er werd zelfs niet gevochten of met stoelen gegooid. Gunnar had dan ook snel genoeg van de kille sfeer die rondzwierf in zijn stamkroeg. Hij knikte even naar Hösvi, die amper reageerde, en trok de deur achter zich toe. Yrsa lag al in bed, en hoewel hij misschien de indruk gaf dat hij niet veel om haar gaf, was er niets minder waar. Hij zag haar doodgraag en het verontrustte hem dat ze al heel de dag met dode blik in haar ogen rondliep. Die blik had hij nog maar een keer gezien, vlak voor hun zoon stierf. Nu lag hij te woelen en voelde nog net hoe Yrsa dicht tegen hem aan kroop. </p>
<p>Door die laatste donderslag was ook Else angstig wakker geschrokken. Haar kleine voorhoofdje was nat van het zweet en haar dunne blonde haren plakten voor haar ogen. Een traantje kroop vanuit haar ooghoek naar beneden. Langzaam draaide ze zich op haar zij in de hoop een glimp op te vangen van haar tweelingbroer Ragnar. Alsof ze niet zeker was dat hij er nog zou zijn. Ook hij lag wakker, zweetdruppeltjes sierden zijn voorhoofd net als kleine diamanten in het zand. Zijn borstkas bewoog heftig op en neer, maar huilen deed hij niet. Hun blikken kruisten en Ragnar zag dat zijn zusje bang naar hem keek. Hij probeerde haar op haar gemak te stellen door een stoere glimlach op zijn gezicht te toveren. Hoewel haar bange blik niet verdween, hield ze toch op met huilen, gerustgesteld door de zelfzekere indruk die haar broer gaf. Buiten leek de wind even te gaan liggen, de daken stopten met ratelen en het monotone geplof van afgebroken schoorstenen hield even op. Het werd ijzig stil, net alsof de wereld plotseling in zijn geheel bevroren was. </p>
<p>Een paar kilometer verderop, in Uppsala, leek de wind ook uit te doven. De gouden figuren op de muren van de tempel glansden even toen de maan even vanachter de donkere wolken tevoorschijn kwam. Een zwakke flikkering in een anders gitzwarte nacht. Achter de grote eiken deuren van de tempel zat een klein tiental priesters op hun knieën voor het indrukwekkende beeld van Odin. Zacht geroezemoes vulde de met kaarsen verlichtte koepel van de tempel. Voor deze mannen waren de Prose Edda en andere overleveringen uit een ver verleden wet. Zij leefden strikt naar de regels die in de documenten beschreven werden, hoe vaag en onrealistisch deze vaak ook leken. Elke dag voerden zij hun vaste rituelen uit in de tempel om de goden te behagen, en om Mannheim te beschermen tegen de duistere krachten van de beestachtige monsters en gevallen goden die met veel detail beschreven stonden in de overleveringen. Er heerste een gespannen sfeer tussen de prevelende mannen. Volgens sommigen van hen was het onnatuurlijke weer te wijten aan de krachten van het duister. Zij hadden een ingewikkeld complot ontrafeld in de Prose Edda, een complot dat volgens hen het begin van het einde der dagen voorspelde, Ragnarok. Nu zaten ze allemaal angstig op hun knieën, en baden tot Odin. Uit het niets begon de grond ineens te beven en te daveren. Verschrikt sprongen de priesters recht, met de handen boven het hoofd om zich te beschermen tegen de vallende brokstukken die losgerukt werden door de trillingen. De schokken werden heviger en volgden elkaar steeds sneller op. Het lawaai van brekend glas en vallende stenen was oorverdovend.<br />
‘Snel, naar buiten!’ schreeuwden de priesters tegen elkaar. De aardbeving leek wel in sterkte toe te nemen met elk ogenblik dat passeerde. De eens zo imposante beelden van de goden Odin, Freyr en Thor begonnen mee te deinen op het ritme van de zware aardschokken. Gigantische boten die elk moment opgeslokt konden worden door een woeste zee. Een laatste aardschok, tien maal zo hevig als de zwaarste ontploffing, gepaard met een verblindende flits die heel de wereld leek te verlichten, veegde de tempel van haar grondvesten als een kaartenhuisje.</p>
<p> Het verblindende licht maakte nu plaats voor een gitzwarte mist. De dikke zwarte massa hield Mannheim in zijn greep, het verlamde ledematen en leek de tijd te vertragen. Als een kolkende smurrie kroop de dikke mist uit de poriën in de grond, een ondoordringbaar gordijn van duisternis gleed tussen de straten en onder deuren. Door de laatste zware schok was Einar uit zijn bed getuimeld. Met een grimas die zijn gezicht in twee leek te splijten lag hij verlamd door de ijle zwarte lucht op de harde houten plankenvloer. De wereld om hem heen vertraagde, als een klok die aan opwinden toe is. Bang en hulpeloos, gedesoriënteerd door de plotse blindheid, probeerde hij zijn lichaam weer op gang te trekken. Hoe hard hij zijn spieren ook spande, het haalde allemaal niets uit. Hij lag als een blok graniet vastgeketend aan de grond. Gedachten raasden met de snelheid van het licht door zijn hoofd. Wat was er aan de hand? Welke duistere magie hield zijn geliefde stad in haar greep? Sneller en sneller begonnen zijn hersenen gedachten uit te spugen tot ze plots stilhielden. Waar waren zijn kinderen? Vanuit zijn ooghoek kon hij nog net het silhouet van Liv, diep ondergegraven onder de berenvellen, gewaarworden. Over haar hoefde hij zich geen zorgen te maken, net als hem lag ze verlamd door de mist. Zijn kinderen daarentegen kon hij niet zien en dit verontrustte hem diep. Hij probeerde te roepen, maar ook de woorden vertraagden en bleven als stof hangen in zijn keel. Else en Ragnar, die in hun kamer aan de overkant van de gang lagen, leken plots mijlenver weg.</p>
<p>Met een laatste houw bereikte Dvalin de oppervlakte. Zijn runenzwaard gleed door de eindeloze rotslagen als een warm mes door boter. De armen van de Dwergenkoning stonden strak gespannen. Kleine blauwe adertjes pompten in sneltempo het bloed naar zijn dikke spieren. Met beide handen hield hij het zwaard, roodgloeiend van het hakken, vast, en uitte een luide kreet toen het de oppervlakte doorbrak. Voor de eerste keer in zijn leven aanschouwde Dvalin de hemel met haar wolken en sterren. Hij voelde de heerlijke streling van de wind door zijn lange haren, de tedere liefkozing van koude regendruppels op zijn wangen. De koning sloot zijn ogen en een gevoel van pure gelukzaligheid leek zijn hart te vullen met nieuwe energie. Even voelde het alsof hij het paradijs had bereikt. De glimlach op zijn grauwe gezicht verdween al even snel als hij gekomen was en werd vervangen door een grimas. Dit was de mensenwereld, een wereld die zij zichzelf hadden toegeëigend. De mensen hadden zijn volk naar de diepe krochten der aarde verbannen omdat ze zich superieur voelden. Achter de gitzwarte ogen van de meester-smid Dwerg wakkerde een oud vuur weer op. De vervolging van zijn volk was een open wonde. Het land, in al zijn schoonheid, dat hem werd afgenomen het zout in die wonde. Voorzichtig schoof Dvalin het zwaard terug in de schede op zijn rug. Hij voelde de hitte van de kling langs zijn ruggengraat omhoog kruipen, alsof het runenzwaard de vlammen van woede in zijn ogen nog meer wilde aanwakkeren. Zijn ruwe handen grepen een pluk sappig gras vast en met al zijn kracht hees hij zich uit de tunnel om de eerste stappen op het land van de vijand te zetten.</p>
<p>Koning Dagrun, een verbeten uitdrukking op zijn gezicht, vocht als een bezetene tegen het zwarte kolkende geheel dat nu ook door de gangen van het kasteel zwierf. De woorden van zijn recent overleden ziener spookten door zijn hoofd: ‘De wolf verslindt de maan, en de horizon brand, Ragnarok!’. Duisternis klampte Dagrun aan, maar hij gaf de strijd niet op. Moeizaam slaagde hij erin zijn benen over de rand van het bed te zwieren. De zwarte mist verkilde zijn benen, verlamde zijn armen. Gedreven door pure wilskracht slaagde de koning erin om zijn zware bovenlichaam van het dekbed te hijsen en zijn voeten stevig op de grond te plaatsen. Furieus kropen slierten dikke zwarte mist door zijn tenen, en omhoog langs zijn benen via zijn kuiten. Een duivelse, gitzwarte wurgslang die haar prooi probeerde vast te grijpen en verstikken. Ademen ging moeilijk, de mist leek zich te manifesteren in zijn longen alsof het hem van binnen uit wou verlammen. Piepend en hijgend zette Dagrun een stapje, en nog eentje. Schuifelend baande hij zich een weg door de zwarte soep die nu bijna heel de slaapkamer had gevuld. De slierten kropen in zijn neus, grepen hem bij de haren, en baanden zich een weg in zijn ogen. Zijn zicht werd wazig, zijn ogen traanden. Langzaam maar zeker strompelde de koning naar een kist die verscholen stond in een donker hoekje van zijn kamer. Met een kreet van pijn, de kille slierten leken al zijn spieren aan te spannen tot ze bijna scheurden, liet hij zich op zijn knieën vallen voor de kist. Verkrampte vingers prutsten onhandig aan het zware slot dat vooraan op de ijzeren kist hing. Met een luide klik opende het mechanisme zich, uitgeput graaide Dagrun in de kist. Zijn bijna gevoelloze vingers gleden langs allerlei voorwerpen: kleine flacons met vreemde vloeistoffen, rituele dolken, officiële documenten… Vastberaden bleef Dagrun in de kist zoeken. Zijn tranende ogen lichtten op toen zijn vingers de scherpe rand van een vreemd medaillon omsloten. Het medaillon, een schijf ter grote van een handpalm, was ingelegd met een eigenaardig zwart edelmetaal. Dagrun liet zijn wijsvinger over het gladde oppervlak glijden en voelde de dunne groeven die samen het symbool van een zon op het medaillon tekenden. Het symbool van de zon werd omschreven door een grote cirkel die vol gegraveerd was met onleesbare tekens. Ter ere van zijn kroning had Dagrun dit medaillon gekregen van zijn ziener. Volgens de grijze oude man bevatte het de legendarische runenmagie van de dwergen. ‘Drager van zon, ziel van licht, geest van verlossing,’ las de inscriptie in het artistieke runenschrift. Dagrun had gevraagd naar de betekenis van de inscriptie maar de ziener gaf beschaamd toe dat hij het niet wist. Het geheim van het medaillon was verloren gegaan tijdens de grote Dwergenoorlog duizenden jaren geleden. Nu was het medaillon Dagruns enige hoop. Hoewel hij nooit echt had geloofd in de zogenaamde dwergenmagie, liet hij de lange zwarte ketting voorzichtig om zijn hals glijden. Een zucht van uitputting ontsnapte uit zijn mond en hij sloot de ogen. </p>
<p>Een felle lichtflits weerkaatste tegen zijn gesloten oogleden. Verschrikt probeerde hij zijn ogen terug te openen, maar ze bleven hardnekkig gesloten. Weer een felle flits, er liep een rilling langs Dagruns rug die heel zijn lichaam heen en weer leek te schudden. De rilling leek zich terug te trekken in de amulet dat op zijn borst rustte. Plots lichtte de amulet fel op en verspreidde een immense hitte. Dagrun schreeuwde het uit van de pijn en klauwde naar de amulet dat zich in het vlees van zijn borstkas had gebrand. Zijn ogen schoten open en tranen van pijn en angst besmeurden zijn gezicht. Hijgend liet hij zich op zijn knieën vallen en tastte voorzichtig naar de amulet. Als een aardworm had de dwergenamulet zich onder het vlees ingegraven. De runentekens op de rand werden bedekt door Dagruns huid en het anders diepzwarte metaal had nu een rode gloed, kleine rode adertjes doorspekten het geheel. De koning liet zijn vingers voorzichtig over het oppervlak glijden en tot zijn verbazing merkte hij dat hij gevoel had in de amulet. Het was alsof het medaillon versmolten was met zijn lichaam, met elke hartslag gloeide de zwarte schijf dieprood. Overdonderd door het vreemde object dat zich in zijn lichaam had ingegraven merkte hij amper op dat de zwarte mist hem niet langer deerde. Heerlijke frisse lucht vulde zijn longen en ook de striemende pijn uit zijn ogen trok langzaam weg. Gulzig gulpte Dagrun de lucht in zijn longen en voelde de hernieuwde energie door zijn aderen stromen. Genoeg tijd verspilt! Zij die het waagden om Mannheim, zijn Mannheim, op deze brutale wijze aan te vallen, zouden jammerend op hun knieën gebracht worden. Nog nooit was Mannheim gevallen, en nooit zou het vallen. Met deze mantra in zijn hoofd, gespte de koning zijn kuras aan en greep hij zijn immense strijdbijl. De rode gloed in zijn ogen werd weerspiegeld in de amulet dat zich in zijn borstkas genesteld had.</p>
<p>Verweerde handen klauwden naar de rand en verbeten dwergenhoofden bleven onafgebroken tevoorschijn komen vanuit de duistere ondergrond. Honderden zwaarbewapende dwergen stroomden uit het steeds groter wordende gat in de grond. De woeste aanval van heftig grijpende handen, schurende bijlen, alles plattrappende laarzen deed de rand van het gat naar de onderwereld langzaam aan groter worden. Waar de scheur in de aarde eerst maar een enkele meter breed was, net groot genoeg om een dwergenlichaam door te wurmen, ontstond nu een reusachtige krater. De onafgebroken stroom van wriemelende dwergenkrijgers was als een organisch monster, een worm die het tere weefsel tussen twee realiteiten opvrat. Een donker hol, een tunnel naar de donkerste krochten van de aarde. Dvalin stond op een kleine heuvel en keek toe hoe zijn troepen aan zijn voeten ontplooiden. Het runenzwaard op zijn rug vibreerde en zoemde zachtjes en de roodgloeiende runen klopte op het ritme van zijn hart. Een sadistische glimlach en een paar ontblote tanden vergezelden de gevaarlijke blik in zijn ogen.</p>
<p>‘Sneller, sneller!’ bulderde Dvalin terwijl hij het lange zwaard uit de schede op zijn rug trok. Hij voelde het zwarte metaal, dat hier en daar een tint goud toonde in het doffe maanlicht, zachtjes trillen in zijn handen. ‘Nu nog niet’, dacht hij, ‘nog even wachten, nog even…’. De dichte massa dwergen die uit het hol gleden stopte verschrikt toen een doordringend geluid de lucht in stukken sneed. Een hoge, felle krijs steeg op uit de donkere tunnel. Het gegil van duizenden pasgeboren baby’s verbleekte in vergelijking met de luide tonen die de aarde nu uitbraakte.<br />
‘Dvalin, koning Dvalin!’ riep één van de krijgers die nog aan de rand van de krater bengelde, ‘Wat…wat was dat?’ echode het uit meerdere bebaarde dwergenkelen.<br />
‘Maak dat je daar wegkomt, snel!’ schreeuwde de koning naar zijn onderdanen, terwijl hij het zwaard, dat hevig was beginnen trillen, onder controle probeerde te houden met beide handen.<br />
De duizenden dwergenkrijgers leken ieder een andere richting uit te stuiven. Hun ruige laarzen, dikke leren lappen die tot net onder de buik kwamen, hadden weinig vat op de modderige ondergrond vanwege hun soepele zolen. De glanzende en anders zo vrolijke, zwevend op een zachte bries, groene grassprietjes waren allemaal al lang gesneuveld onder de zware voetstappen van het opgejaagde dwergenleger en de vochtige aarde werd herleid tot een zompige bruine pap. Als stenen in een modderstroom begon het geheel van Dwergen heen en weer te schuiven. Hier en daar werd een bebaard hoofd opgeslokt door de zwarte massa waar het verdween in de troebele aarde. Het gierende geluid veranderde in een in een diep, oorverbrijzelend gebrul. Vanuit de krater weerklonk nu ook vreemd geschraap, als van scherpe klauwen die zich vastbeten in het harde graniet van de diepe rotslagen. Kleine zweetdruppeltjes vormden zich op het hoofd van de dwergenkoning en werden opgeslorpt door de borstelige wenkbrauwen die zo typisch waren voor het duistere dwergenvolk.De mysterieuze runen op het lemmet lichtten plots fel op en, verblind door het felle licht, het zoemende zwaard gleed uit zijn handen. Dvalin greep naar zijn gezicht, zijn hele gelaat deed pijn door het helle licht, en de landschappen rondom hem werden in een sluier van duisternis gehuld. Even leek het alsof de tijd vertraagde. Het heftig vibrerende zwaard tolde langzaam en reflecteerde het kille maanlicht. Ook de Dwergentroepen grepen naar hun gezicht wanneer de verblinde flits hun ogen penetreerde. De punt van het zwarte goudglanzende zwaard gleed langzaam in de zachte aarde waar het even bleef steken. Een godslasterlijke pijl die naar de hemel wees, een uitdaging voor de goden. </p>
<p>Een ketting van bliksemschichten spleet de hemel in duizend kleine stukjes. Het gewicht van het handvat, ingelegd met een reeks piepkleine zwartglanzende parels, van het runenzwaard viel met een doffe plof in de vettige drab. De donkere sluier verdween langzaam uit Dvalin’s ogen en koortsachtig probeerde hij het zwaard te lokaliseren. Hij wierp een blik op zijn manschappen die langzaam, veel te langzaam, uit het gat kropen. Ook zij waren nog half versuft, de felle lichtflits bezoedelde hun zicht en het angstaanjagende gekrijs uit de onderwereld verlamde hun ledematen.<br />
‘Rennen!’ riep Dvalin nog, maar hij wist dat het te laat was. Hulpeloos liet hij zich op zijn knieën vallen en begon als een varken in de omgewoelde aarde te zoeken naar het zwaard. Hij moest het zwaard vinden, anders zou het hele plan in het water vallen. Erger nog, dan zou er waarschijnlijk geen Dwergenras meer overblijven. Op handen en voeten voelde de Dwergenkoning als eerste de vreemde trillingen. Het leek alsof er iets tegen de aarde botste, niet van buitenaf, maar van binnenuit. Zware stappen van een ongeziene nemesis. Een akelig monster dat zijn weg naar buiten groef. Haastig, alsof het al eeuwenlang opgesloten zat in een veel te kleine kooi. </p>
<p>Twee lange leerachtige vleugels onplooiden zich uit de krater in het donkere landschap. Scherpe nagels gloeiden in het zwakke maanlicht en verpletterden alles wat in hun weg kwam. De zwarte vlerken hesen het grote lichaam van het beest naar boven en uit de monden van het Dwergenleger ontsnapte een verschrikte kreet. Velen van hen lieten spontaan hun wapen vallen en zetten het op een lopen. Hun laarzen ploegden door de bruine modder, glad als een ijstapijt. Nithhogg, de draak uit de Onderwereld hees zijn reusachtige lichaam uit het gat in de grond. Even verderop zocht Dvalin hopeloos naar het runenzwaard, dat verdwenen was onder een vloedgolf kleverige modder. De voorste poten van het monster grepen zich vast in de vettige aarde, gevolgd door de zwaar gespierde achterpoten die een lange staart met zich mee droegen.Nithhogg ademde zwaar in en uit van de lange klim naar boven, strekte zijn vleugels en stootte een snerpende kreet uit. </p>
<p>Dikke schalen, ter grote van een kleine mensenhand, bedekten het lichaam van het beest uit de onderwereld. In het zachte maanlicht, dat af en toe in de kiem gesmoord werd door een inkzwarte wolk, leek de draak te baden in een akelig groen licht. De reflectie van het witte licht op de schubben gaf het beest bovennatuurlijke schijn. Boven op zijn kop stonden twee reusachtige horens. Als tanden van een mamoet puilden de twee gelige, en hier en daar zwaar beschadigde, uitstekels uit. Scherpe tanden, al even geel en verweerd als de horens op zijn kop, bekleedden zijn muil en een lange gespleten tong bengelde als een slang vervaarlijk heen en weer. Aan de basis van de nek ontsproot een lange rij beenachtige stekels die op een rechte lijn tot aan het puntje van de staart doorliepen. Een grillige rij, precies tanden, die de agressie van de draak uitstraalde alleen maar versterkte. Hoewel de aanblik van de tanden en horens al menig Dwergenkrijger een natte broek zou bezorgen, schuilde er nog iets veel angstaanjagender achter de zwarte ogen van Nithhogg. Twee priemende oogbollen stonden aan weerszijde van de monsterachtige kop. Pupillen had Nithhogg niet, alleen die eindeloos diepe en gitzwarte vijvers die door de ziel sneden. Rode wolken van haat en furie, een maalstorm van woede, kolkte onder het zwarte oppervlak. Als er een plaats op aarde bestaat waar nachtmerries geboren worden, dan is het hier, achter het glanzende oppervlak van het ontketende beest, het monster uit de onderwereld, Nithhogg, de Draak der Plagen.</p>
<p>Moordlustig aanschouwde het beest zijn omgeving. Nithhogg voelde de wind langs zijn schalen suizen, voelde de stroom langs zijn vleugels wapperen. Met een schreeuw van inspanning hees de kolos zijn lichaam op zijn achterste poten, strekte zijn vlerken, en stootte af. Een enorme windverplaatsing gooide de helft van het Dwergenleger terug in de modder, als wormen in een mesthoop. De wriemelende massa dwergenlichamen spartelde en worstelde om zich zo ver mogelijk te verwijderen van de gekartelde tanden en vlijmscherpe klauwen van het beest uit de diepte. Met krachtige vleugelslagen hees het gevaarte zijn enorme lichaam de ijle lucht in, de gifgroen glimmende draak verduisterde even de maan, en leek even de aarde te verduisteren, alvorens zich als een rollende zwerfkei, de vleugels stijl naar achter gericht, naar beneden te werpen. Met een doffe klap, die heel de aarde deed trillen, landde Nithhogg tussen de duizenden Dwergen. Enkele ongelukkigen kwamen terecht onder de ruwe klauwen van de draak en stierven een korte en pijnloze dood. Als wormen terug de aarde in gedrukt, terug naar de ondergrond waar ze vandaan kwamen. De lange staart, bekleed met een rij scherpe pieken, zwiepte in het rond. Tere lichamen werden metershoog de lucht in geslingerd, bloed en ledematen kleurden de aarde dieprood. Nithhogg vierde zijn haat bot op de kleine wezens rondom. In zijn ogen stond stond niet alleen haat te lezen, maar ook genot. Het plezier van het moorden. Wanneer bijna geen enkele krijger meer recht stond en een groot deel van het leger herleid was tot een kreunend geheel ontwaarde Nithhogg zijn volgende slachtoffer. Een Dwerg met een wel heel dikke baard zat een paar meter verderop als een varken in de grond te graven.</p>
<p>Koortsachtig zocht Dvalin werden, zijn manschappen werden afgeslacht door het monster dat hij zelf had gewekt. Een monster dat alleen maar bestond om dood en verderf te zaaien, een wezen uit de onderwereld met een hart zo zwart als de nacht. De kille zwarte oogbollen van Nithhogg keken op, en even hadden de twee oogcontact. Dvalin voelde de botten in zijn lichaam trillen, zijn bloed leek te bevriezen in zijn aders. De draak ontblootte zijn tanden, een sadistische grijns? Met kordate stappen draaide de draak zijn enorme lichaam en zette zich schrap in de omgevoelde rode aarde. Dvalin wendde zijn ogen af en zette zijn zoektocht in de modder als een bezetene voort. Nithhogg zakte lichtjes door de poten en stootte af. Met gespreide vleugels, kop strak naar voren gericht, lanceerde de draak zich als het ware. De wind sloeg in zijn vleugels zodat de draak een klein stukje boven de grond zweefde. Pijlsnel naderde de draak. Dvalin, met zijn armen half bedolven in de modder, verstarde. De Plaagdraak sperde zijn kaken wijd open, klaar op toe te slaan. Dvalin slaagde er nog net in recht te staan, maar werd meteen tegen de grond gesmakt door de windverplaatsing die de draak vooraf ging. Met gestrekte armen, net een engel viel hij op zijn rug. De draak was nu vlakbij. Uit reflex sloot Dvalin de ogen en klampte zich vast aan de grond. Zijn sterke vingers gleden door de modder en omsloten als bij mirakel het heft van het zwaard. Met een krachtig gebaar richte Dvalin zich op en stootte de punt van het runenzwaard in de richting van Nithhogg. De draak plantte zijn poten in de ondergrond. De lange mesvormige klauwen drongen diep door en het dodelijke gevaarte kwam met een ruk tot stilstand. De kille ogen van het monster waren gefixeerd op het zwaard in het dwergenhand.</p>
<p>Het geluid van zware lederen laarzen echode tegen de gevels van stenen huizen in de smalle straatjes van Mannheim. Vastberaden rende Dagrun naar het snerpende geluid dat enkele ogenblikken geleden door de wind was meegevoerd. Met elke pas sloeg de glimmende kop van de bijl tegen het harde pantser van het kuras. Het zachte rinkelen deed denken aan de oude klokkentoren in Hel die als een vuurbaken de Donkere Velden verlichtte met zijn monotone dodenmars. Links en rechts, doorkruiste Dvalin de stegen van zijn stad, de duistere mist voor zich uit duwend. Een glimworm die zich een weg baant door donkere lagen grond. Alles leek zo doods, het eens zo levendige dorp werd verpletterd door de zwarte gal die de aarde had uitgebraakt. De Koning hielt even halt om op adem te komen. De ijskoude buitenlucht deed zijn longen krimpen en het vocht in zijn ogen bevriezen. Knipperend en diep in en uit ademend blies Dagrun kleine witte wolkjes de zwarte nacht in. Links van hem trok het grote uithangbord van Odins Oog zijn aandacht. Als jonge snaak durfde hij vroeger wel eens een horen gaan drinken in de beruchte kroeg, hoewel zijn geneesheer hem dat ten strengste verboden had want ‘alcohol vrat de hersenen op en veranderde mensen in dove zeekoeien’, aldus de ziener. Momenteel was het niet zozeer de kroeg en het bijhorende bier dat hem interesseerd, maar eerder de twee figuren die vastgeketend leken te zijn aan hun kruk. De uiterst herkenbare vormen van Njord en Thorvald, de Dunne en de Dikke, sierden de vuile toog. Hun ogen en armen werden vastgehouden door dikke slierten mist die hen als tentakels vastgrepen. Hoe dichter Koning Dagrun het eens zo olijke duo naderde, hoe harder de slierten zich rond de mannen leken te wikkelen. In de strijd tussen licht en donker wilden ze zich nog niet gewonnen geven. Vastberaden stapte hij op de twee roerloze gestalten af. De ziekelijke nevel leek even te trillen, een laatste krachtinspanning om zijn prooi in bedwang te houden, maar smolt uiteindelijk als sneeuw voor de zon. Prompt viel de dikke Thorvald van zijn kruk op de grond waar hij als een hulpeloze vis op het droge naar lucht hapte. Njord leek iets langer nodig te hebben om te ontdooien van zijn donkere nevelbad, maar het duurde niet lang vooraleer ook hij van zijn versleten kruk tuimelde. Met zijn gezicht naar beneden viel Njord op de zachte bierpens van zijn makker Thorvald. Het beetje lucht dat de arme dikkerd in zijn longen had gepompt werd er nu weer met bruut geweld uitgeslagen. Hoestend en proestend als pasgeboren lammetjes lagen de twee ex-stalknechten op de grond. Dagrun kon een zwakke glimlach niet onderdrukken, de geschiedenis leek zicht te herhalen. Thorvald en Njord wreven de laatste restjes mist uit hun ogen en keken op naar hun redder. Hetzelfde scenario als enkele dagen geleden leek zich te ontplooien, maar zelfs de eens zo onderdanige Dunne kon zijn lach nu niet onderdrukken. De Koning stak nogmaals de hand uit en breed lachend aanvaardden de mannen deze. Ook Thorvald, de Dikke, moest lachen. Hoewel het in zijn geval eerder van opluchting was, hij was er van overtuigd geweest dat zijn laatste uur geslagen was en dat de gifgroene vuren van Hel likkebaardend aan zijn achterwerk likten. </p>
<p>‘Heren, Mannheim wordt belegerd door een duistere kracht die ik niet kan verklaren.’<br />
‘Tijd om daar iets aan te doen, nietwaar Sire’, antwoordde de Dunne met strijdlustige pretogen.<br />
‘Grijp iets om je mee te verdedigen jongens, degenen die proberen Mannheim te verover zullen blij zijn dat ze nog naar huis kunnen kruipen!’<br />
De Dikke, die plots bekomen leek van de schok, greep prompt één van de zware houten krukken aan de toog en brak er in eenzelfde beweging een poot af. Goedkeurend bestudeerde hij zijn wapen, dat uit hard eikenhout gemaakt was. Een kruk die overleefde in het dronken nachtleven van Odins Oog zou zeker hard genoeg zijn om de schedel van een vijand in te beuken. De Dunne, die niet kon rekenen op brute spiermassa, tastte in zijn laars naar een lang jagersmes. Hij inspecteerde de scherpte van de rand en leek tevreden over zijn bevindingen.<br />
‘Waar wachten we nog op Sire?’<br />
‘Volg mij heren!’<br />
En zo rende het drietal de zwarte nacht in, klaar om de vijand, wie dat ook mocht wezen, hardhandig door de poorten van Hel te gooien.</p>
<br /><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/categories/whatsthatvoice.wordpress.com/8/" /> <img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/tags/whatsthatvoice.wordpress.com/8/" /> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gocomments/whatsthatvoice.wordpress.com/8/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/comments/whatsthatvoice.wordpress.com/8/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godelicious/whatsthatvoice.wordpress.com/8/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/delicious/whatsthatvoice.wordpress.com/8/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gofacebook/whatsthatvoice.wordpress.com/8/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/facebook/whatsthatvoice.wordpress.com/8/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gotwitter/whatsthatvoice.wordpress.com/8/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/twitter/whatsthatvoice.wordpress.com/8/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gostumble/whatsthatvoice.wordpress.com/8/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/stumble/whatsthatvoice.wordpress.com/8/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godigg/whatsthatvoice.wordpress.com/8/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/digg/whatsthatvoice.wordpress.com/8/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/goreddit/whatsthatvoice.wordpress.com/8/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/reddit/whatsthatvoice.wordpress.com/8/" /></a> <img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=whatsthatvoice.wordpress.com&amp;blog=595820&amp;post=8&amp;subd=whatsthatvoice&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://whatsthatvoice.wordpress.com/2006/12/06/norsk-hoofdstuk-4-deel-1/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
	
		<media:content url="http://0.gravatar.com/avatar/c7515fb5501b1586d16a7eb128d558cc?s=96&#38;d=identicon" medium="image">
			<media:title type="html">lepermessiah</media:title>
		</media:content>
	</item>
		<item>
		<title>Norsk Hoofdstuk 3</title>
		<link>http://whatsthatvoice.wordpress.com/2006/12/06/norsk-hoofdstuk-3/</link>
		<comments>http://whatsthatvoice.wordpress.com/2006/12/06/norsk-hoofdstuk-3/#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 06 Dec 2006 19:50:22 +0000</pubDate>
		<dc:creator>lepermessiah</dc:creator>
				<category><![CDATA[Hoofdstuk 3]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://whatsthatvoice.wordpress.com/2006/12/06/norsk-hoofdstuk-3/</guid>
		<description><![CDATA[3. De Voorbode De kruinen van de groene sparren wiegden in de kille nachtbries. Wolken hulden de maan in een sluier van verborgen mystiek en kracht. Vreemde schaduwen slopen over het land en verzwolgen hele bergketens in één machtige beweging. Het gras kraakte onder de stille bewegingen van een roedel jagende wolven. Hun grijze vacht [...]<img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=whatsthatvoice.wordpress.com&amp;blog=595820&amp;post=7&amp;subd=whatsthatvoice&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><strong>3. De Voorbode </strong></p>
<p>De kruinen van de groene sparren wiegden in de kille nachtbries. Wolken hulden de maan in een sluier van verborgen mystiek en kracht. Vreemde schaduwen slopen over het land en verzwolgen hele bergketens in één machtige beweging. Het gras kraakte onder de stille bewegingen van een roedel jagende wolven. Hun grijze vacht glinsterde in het gebrekkige maanlicht. Bijna leek het alsof de wolven gehuld werden in een wolk zilverstof, alsof ze geboren waren in de maan, die dezelfde kleur droeg. De lange tong die tussen hun vlijmscherpe hoektanden bengelde en de hongerige blik in de ogen van de beesten gaf hen iets onwezenlijks. Oermachines gedreven door instinct en passie. Een wolf met brede schouders en een witte staart stopte bruusk en huilde luid naar de maan. Even later weerklonk het gehuil van een andere roedel in de verte, waarschijnlijk achter de volgende heuvel. De prooi, een kudde elanden, was ten dode opgeschreven.</p>
<p>Moeizaam liet de zon haar eerste zonnestralen over Midgard glijden. Het gras op de uitgestrekte vlakte van Vigrond leek zich uit te rekken in de vroege ochtendwarmte. Lui wiegden de groene halmen heen en weer, ze lieten zich gewillig meevoeren door de koele bries. Dezelfde bries beroerde ook het spiegelachtige oppervlak van het Meer van Maelare. Duizenden fonkelende diamanten deinden op en neer op de zwakke golfjes die met een nog zwakkere plof op de oever kapot sprongen. Het Spiegelmeer van Maelare strekte zich ver uit naar het noorden tot het zelf leek te verdrinken in de horizon. Waar het meer in het zuiden eindigde begon de weelderige en vruchtbare vlakte van Vigrond met haar miljarden kwieke grassprietjes die gretig de zonnestralen opslurpten. Ergens ten westen van de vlakte van Vigrond bevonden zich de mensensteden Mannheim en Uppsala op een korte afstand van elkaar. </p>
<p>De kasseien van hun talrijke straatjes glinsterden, de schaduw eindelijk weer verdreven. De houten daken van de huizen kraakten, de nachtvorst was weerbarstig, maar smolt uiteindelijk voor de warmte van de nieuwe dag. Ook de gevederde dorpswekker knipperde met zijn oogjes wanneer de zon zijn veren beroerde. Een beetje suf schudde hij zijn kop en stak de veren op zijn rug terug op hun plaats met zijn snavel. Met een klein sprongetje zat hij op een van de takken van een sterk uit de kluiten gewassen struik. De knoestige oude plant liet zijn tegenzin blijken door luid te kraken, alsof ook hij nog niet wakker wilde worden. Tevergeefs, uit volle borst zette de haan zijn bekende schreeuw in. Het schelle gekraai weergalmde en echode door de smalle straatjes. Hier en daar werden luikjes opengeklapt. De ijzeren hengsels waarin deze werden vastgemaakt piepten zachtjes. Na een tijdje leek het wel alsof Midgard een kuiken was dat uit zijn ei kroop, het zachte gepiep van de luikjes overstemde de stilte van de voorbije nacht. Midgard knipperde met zijn oogjes, de zon keek vrolijk toe vanuit de blauwe hemel.</p>
<p>Wit geschuurd hout weerkaatste het felle zonlicht recht terug naar de hemel. Twaalf mannen met lange witte pijen bewogen zich langzaam richting het centrale gebouw in Uppsala: de Godentempel. Elk van hen had een gift bij. Vijf brachten een levend lam. Doodsbang spartelde de maagdelijk witte beestjes in de armen van hun ontvoerder. Vier mannen hielden een prachtige bos bloemen in hun handen. Felrode en goudgele bloemen met kelken in alle vormen openden zich en keken verlekkerd naar de zon, die hen voedde met haar zoete stralen. Met hun schouders ondersteunden de overige drie een zwaarbeladen kist. Haar harde vlakken waren ingelegd met bladgoud. De sierlijke vormen glinsterden in het prille ochtendlicht. Het grote witte gebouw stond nu pal voor hen. Door de vele vlakken die het gebouw rijk was leek het eerder op een tombe, dan op een tempel. Voor de trappen knielden de mannen voorzichtig neer, hun pijen golfden over de grond als water rond een rivierkei. Elf van de mannen bleven geknield zitten terwijl de twaalfde priester de treden beklom. </p>
<p>Eenmaal sloeg hij zijn vuist tegen de zware eikenhouten poort en sprak:<br />
‘Oh Odin, God der Goden, heden brengen wij u een offer.’ De elf geknielde volgelingen herhaalden deze spreuk. Voor de tweede maal sloeg de twaalfde priester op de poort:<br />
‘Oh Thor, God van Donder, heden brengen wij u een offer.’ Ook deze keer herhaalden de elf de woorden van de twaalfde. Bij de derde en laatste slag op de poort sprak hij de woorden:<br />
‘Oh Freyr, God van Liefde en Vruchtbaarheid, heden brengen wij u een offer.’<br />
‘Voor Odin, Thor, en Freyr. Van nu tot in Walhalla.’, antwoorden de elf als uit één keel. Hun pijen ritselden zachtjes over de kiezels wanneer ze allen rechtstonden. Binnen in de tempel tilde iemand een zware metalen balk uit de hengsels. Een luide klik. De poort opende zich op een kier om de twaalf naar binnen te laten. De lammeren jammerden en spartelden heftig. Hun gejammer stopte abrupt toen de deuren terug in hun zilveren hengsels vielen. De opzichtige gouden figuren die in de muren van de tempel gekerfd stonden keken stilzwijgend toe. De zon glinsterde in hun groeven.</p>
<p>Het angstige geluid van de dieren werd vervangen door een oorverdovende stilte en een kille duisternis. De warmte van de zon werd meedogenloos buitengesloten, zonnestralen kaatsten hulpeloos terug op de dikke witte muren. Ritmisch werd de stilte doorbroken door het getik van houten klompen op de bleke, gepolijste, marmeren vloertegels. Hier en daar brandde een eenzame kaars, het zwakke licht in de duisternis als een genster naast een vreugdevuur. Plechtig, met gebogen hoofd, bewogen de mannen zich naar de centrale kamer. Het gejammer van de lammeren werd nu vervangen door een verslagen gepiep. Geluiden weergalmden in de grote open ruimte om kapot te spatten op één van de drie enorme beelden die vanuit de hoogte neerkeken op het vreemde gezelschap van twaalf.</p>
<p>Thor, god van Donder, geboren uit de hemelse schoot van Sif, vrouw van Odin. Opgetrokken uit het reinste zilver, het zuiverste goud, het helderste marmer, stond links van het gezelschap van de twaalf in gewaden gehulde figuren. Aan zijn voeten lagen de geiten Tanngrisnir en Tanngnjóstr. Bovennatuurlijke wezens die de machtige strijdwagen van Thor door de hemel trekken. Trots keken ze neer op de toeschouwers aan hun voeten. Achter hen zat Thor op een troon van witmarmer. Zijn lange warrige baard was ingelegd met roodgoud, zijn ogen zwart glanzende magmastenen. Het beeld, met een titanisch kuras uit goud en zilver, boezemde angst in. Vriend of vijand leefde in angst voor de pure kracht en devotie van de Natuurgod Thor. Handen als kolenschoppen omsloten een wonderbaarlijk wapen, Mjolnir, ingelegd met goud, zilver, en edelstenen. Gegoten in de vorm van een omgekeerd kruis, en zo zwaar dat zelfs Thor speciale handschoenen nodig heeft om het te zwaaien, ademde het een kracht uit die het hele heelal deed sidderen en beven.</p>
<p>Rechts stond het beeld van Freyr, gezeten op een strijdzwijn met gouden haar. Uit Gullinburstis mond staken twee gevaarlijk lange slagtanden gemaakt uit glanzend marmer. Het beest was een en al spiermassa. Sterke kuit –en rugspieren toonden dat Gullinbursti niet vies was van een bloederig gevecht. Met zijn zwaard in de hand leek het alsof Freyr de toeschouwer uitdaagde tot een duel. Zijn lange zilvergrijze haren wapperden in de wind, zijn kille blik op oneindig. Vaak gezien als de knapste en charmantste god, werden zijn gelaatstrekken hier zorgvuldig weergegeven in het gladde marmer. Harde vlakken werden afgewisseld met zachte glooiingen, een stoere blik met een passionele uitstraling die het hart van eender welk meisje zou doen smelten. God van Vruchtbaarheid en Liefde, broer van de lieftallige Freya, slachter van Reuzen.</p>
<p>Deze twee prachtige beelden verbleekten echter in het bijzijn van het centrale derde en laatste beeld, Odin. God der goden, heerser over alles en iedereen. De imposante figuur, met in zijn ene hand de speer Gungnir, en in de andere de teugels van zijn vurig strijdros Sleipnir, keek met starre blik voor zich uit. Het achtpotige paard bulkte van de spieren. De makers van het beeld hadden de ogen van het beest ingelegd met bloedrode robijnen, en het hematiet van de hoeven glansde griezelig in het zwakke kaarslicht. De manen in roodgoud en de vacht van zwarte lavasteen gaven het edele dier iets demonisch. Het kille vuur van Helheim leek in zijn wake te sluipen. Bovenop de gespierde rug zat de al even indrukwekkende Odin. Een gezicht als een gehavende rivierkei, met dat ene oog dat spookachtig voor zich uit staarde. Het diepblauw van de oogbal, een grote saffier, leek door het niets te snijden. God der Goden en heerser over alles en iedereen, een onmetelijke kracht weergegeven in een prachtig beeld. Vader van Aesir en heerser voor altijd. Koning van de Einherjer, gezeten op zijn troon in de hallen van Walhalla. </p>
<p>Uit de kelen van de jonge dieren stroomde dieprood bloed. De offerstenen werden doordrenkt in het onschuldige lichaamsvocht van de lammeren. Met de bloemen werden kransen gevlochten om over de beelden te draperen. De zware kist vol goud werd aan de tempelmeester geschonken. Twaalf priesters ontdaan van hun zonden, onder het wakende oog van de Goden. De witte muren glansden en weerkaatsten de zonnestralen.</p>
<p>Hier en daar begonnen marktkramers hun waren uit te stellen. Op de hoek van een van de vele smalle straatjes die Midgard rijk was stonden verse broden te dampen in het ochtendgloren. Erik, buurman van Olaf de bakker, gooide het karkas van een koe op zijn grote slagerstafel. In zijn rechterhand hield hij een grote hakbijl, in de andere een gehavende slijpsteen. Kleine vonkjes vielen op de grond wanneer het blad van de bijl over het ruwe oppervlak van de slijpsteen schoof. Enkele meters verderop wandelde Gunnar de Vis naast zijn ezeltje. Het arme beest trok een gigantische kar vol verse vis. Gunnar de Vis was één van de beste en meest gerespecteerde vissers in heel Midgard. Vaak vertrok hij op een dag, niemand wist ooit naar waar of voor hoe lang, om dan enkele dagen nadien terug te keren met een boot vol vis. Gunnars’ gezicht stond vol lange littekens, volgens hem oorlogswonden van zijn heroïsche gevechten met talloze zeemonsters. Nachtelijke dronken straatgevechten leken een iets plausibelere verklaring. De littekens vervormden zijn verschrompelde gezicht en hij had inderdaad iets weg van een lelijke vis, een heel lelijke vis. In alle opzichten was Gunnar een vreemde verschijning, ook zijn boot paste perfect in de mystiek die hem omsloot. Met zijn drakkar, een achtentwintig meter lang oorlogsschip, bezwoer hij de wildste zeeën. Dertig manschappen trokken het gevaarte keer op keer op gang en volgden gewillig Gunnars’ aanwijzingen. Andere vissers lachten Gunnar de Vis vaak uit met zijn oorlogsboot, die eigenlijk helemaal niet geschikt was voor de visvangst. Maar steeds weer was het Gunnar die de grootste lading vis binnenbracht. Gunnars’ vrouw, Yrsa, stond haar lelijke man al op te wachten aan haar viswinkel. Een vuile schort accentueerde haar dikke buik en weelderig achterwerk. Grijze stinkende rook steeg op uit haar beenwitte pijp.<br />
‘Ben je daar dan eindelijk, het werd verdomme tijd!’ schreeuwde Yrsa, die niet op haar mond gevallen was, ‘ik dacht dat je met je afschuwelijke boot de dieperik ingegaan was.’ Korte trekjes van de witte pijp tussen elke zin.<br />
‘Zo snel ben je nog niet van me af Yrsa, lieverd,’ repliceerde Gunnar met een brede grijns op zijn gezicht, en hij bond het ezeltje vast aan een tafelpoot. Uitgeput bleef het arme beest braaf op zijn plaats staan. Gunnar gaf zijn vrouw een kus en deze deed alsof ze er niets van moest weten. Yrsa deed zichzelf graag stoerder voor dan ze werkelijk was, diep binnenin zag ze haar man graag. Zijn lange reizen vulden haar hart met onrust en angst.<br />
‘Waar ga je heen, vissenkop van me?’<br />
‘Dutje doen denk ik,’ geeuwde Gunnar, ‘en dan met de mannen naar de kroeg.’<br />
‘En ik dan, moet ik al het werk alleen doen?’<br />
‘Ja,’ en De Vis sloot de deur achter zich. Met een vreselijke zucht gooide Yrsa de eerste vis op het tafelblad en kapte, lurkend aan haar sneeuwwitte pijp, de kop eraf.</p>
<p>De smerigste kroeg in heel Midgard, Odins’ oog, was heel de nacht open geweest. Hösvi, de kroegbaas, had er nu wel genoeg van. Hij kon het geroep en gejammer van Galinn niet meer aanhoren. Galinn de Gek, de plaatselijke dronkenlap en dorpsidioot, kon amper nog op zijn kruk blijven zitten. Langzaam wiegde hij heen en weer, en elke keer opnieuw leek het erop alsof hij met zijn gezicht op de vuile zwarte tegels van de vloer zou belanden. In de vroege uurtjes werd er vaak geld ingezet op Galinn, zou hij vanavond blijven zitten of met zijn tanden in de tegels bijten? En moest hij dan vallen, hoeveel tanden zou hij deze keer kwijtspelen? Met zijn gezicht op de toog, lag Galinn luidruchtig zijn roes uit te slapen. Bruusk porde Hösvi Galinn met zijn wandelstok.<br />
‘Kom op zuipschuit, maak dat je weg komt.’<br />
De Gek produceerde een diep grommend geluid, net een beer die vroegtijdig gewekt wordt uit zijn winterslaap. Hösvi gaf niet op en ramde zijn wandelstok hardhandig tussen de ribben van het ronkende zwijn.<br />
‘Godvrbrrllbrr, mrrrk gat we weg brrrll,’ pruttelde De Gek.<br />
‘Nee het bier is op, trap het af!’<br />
Die laatste zin leek de doorslag te geven. Een kroeg zonder bier, is een kroeg zonder Galinn. Zich vastklampend aan stoelen en tafels, sukkelde Galinn de Gek naar buiten. Opgelucht haalde Hösvi adem en inspecteerde zijn etablissement. Stoelen en tafels lagen omgedraaid her en der verspreid, scherven van de stenen drinkhorens knarsten onder zijn schoenen, hier en daar lag een bebloede kies. Kroegruzies werden hier aanzien als nationale sport, tanden en bloed vlogen in het rond wanneer twee dronken heethoofden elkanders lelijke kop bewerkten met een kruk. Met de rug van zijn hand onderdrukte Hösvi een geeuw en besloot om alles later op te kuisen. Later, morgen, ooit…Odins Oog was niet voor niet de smerigste kroeg van Midgard. Schel piepend sloot de deur zich, enkele uren rust, om dan weer klaar te zijn voor de volgende lading geweldadige dronkaards en lastige zeveraars. </p>
<p>Zeker vier meter verder nestelde Galinn zich in een smal steegje. Nog voor zijn dikke achterwerk de grond raakte begon het dronken zwijn al terug te knorren. Een dun sliertje kwijl sijpelde uit zijn mond, tussen de vele stoppels van een groezelige baard, om zich zo een weg naar beneden te banen. Voorbijgangers liepen in een wijde boog om hem heen, niet omdat Galinn zo stonk, want dat waren de meesten intussen wel gewend, maar omdat De Gek de gewoonte had om spontaan te beginnen braken op de schoenen van de onschuldige medemens. Handen over zijn buik gevouwen en lustig knorrend, lag hij daar. Het kloppen in zijn hoofd vanavond zou alleen maar genezen kunnen worden met de hemelse smaak van een verse horen bier.</p>
<p>Zelfs het kille graniet moest toegeven aan de opgewekte stralen van de nieuwe zon. Duizenden minuscuul kleine oneffenheden in de zwarte massa reflecteerden het felle licht van de brandende bol hoog in de hemel. Als een sterrenhemel overdag schitterde het immense kasteel van de koning. Voor de inwoners van Midgard, die de fonkelende muren van kilometers ver konden zien, was het zwarte kasteel een toonbeeld van serene schoonheid en veiligheid. De Reuzen daarentegen, vervloekten elke steen van het bouwwerk als een doorn in het achterwerk. Dagrun de Moedige, hun aartsvijand en nemesis, bewandelde de lange gangen van de onbereikbare burcht. Met ijzeren hand sloeg Dagrun er al jaren in het groteske Ras der Reuzen buiten de wallen te sluiten. Omringd door een diepe slotgracht, die op haar beurt bekleed was met metalen spietsen, rezen de muren een tiental meter de hoogte in. Op elk van de acht punten die de muren vormden, stond een ronde uitkijktoren met een puntig dak waarop de vlag van Midgard wapperde. Het rode vaandal, waarop een leeuw en een draak werden weergegeven, symboliseerde moed en vrijheid voor het Ras der Mensen. Slechts één enkele poort gaf toegang tot de vesting. De poort bestond uit meerdere delen elk uit een ander materiaal vervaardigd. Een metalen valhek was de eerste barrière die prompt werd gevolgd door een dikke, met metalen platen verstevigde deur. De scharnieren alleen al waren drie keer zo groot als een mensenhand. Achter deze poort, die trouwens alleen van binnenuit geopend kon worden, bevond zich een tweede valhek. Het zwarte metaal van deze constructie was, zover men wist, uniek in zijn soort: bij extreme hitte kreeg het de typische zwarte kleur en kon men het met moeite plooien en buigen. Eens afgekoeld werd het bijna onmogelijk om het opnieuw te bewerken. Het was alsof het metaal zich maar éénmalig liet bewerken, hoe lang men het ook in het vuur hield, smelten zou het niet meer. Zwartval, zoals men de poort in de volksmond noemde, was de derde en laatste versteviging die de enige poort in het kasteel vormde. In de acht zwarte buitenwallen zaten geen ramen, enkel kleine gleuven. De gleuven boden uitstekende bescherming tegen vijandelijke pijlen zonder het zicht van de verdedigers al te veel te belemmeren. Moesten de Reuzen ooit het kasteel bereiken, dan stonden de potten hete pek al klaar om hen van de muren te branden. Het binnenplein van het kasteel was grotendeels een open ruimte. </p>
<p>Links kon men de stallen van de paarden vinden, het langwerpige gebouw bood voldoende plaats voor een zestigtal paarden. Een tiental van hen behoorden toe aan de koning zelf, de anderen aan zijn elitecavalerie. De barakken van de mannen, alsook het wapenhuis, grensden aan de stallen. De ruiters van de elitecavalerie werden verwacht altijd paraat te zijn, en dus moesten ze naast hun strijdros en wapens slapen. Aan de andere kant rees een sober maar statig gebouw op. Drie verdiepingen hoog torende de verblijfplaats van Koning Dagrun hoog uit boven de rest. Op de benedenverdieping bevond zich de keuken, een gigantische ruimte waar men voor een kleine driehonderdtal mensen spijzen en drank kon klaarmaken. Twaalf grote houtvuren stonden altijd klaar voor om een feestelijk banket te voorzien van geroosterd everzwijn of ander wild. </p>
<p>In de zaal naast de keuken, gescheiden door een fluwelen wandtapijt, stond de bankettafel met aan het hoofd een brede houten troon. Uiteraard mocht deze alleen bestegen worden door de koning zelf. De tweede verdieping van het koningsgebouw kon men zien als een soort vergaderzaal. Een marmeren ronde tafel bood plaats voor een select aantal individuen. Vaak kwam de koning hier samen met de aanvoerders van de bataljons om tactieken te bespreken tegen komende aanvallen. Ook de opleiding van nieuwe rekruten werd hier indien nodig aangepast en verbeterd. Het derde en laatste niveau omvatte de persoonlijke vertrekken van Dagrun. Een royale slaapkamer, een marmeren open haard, kortom alle luxe die een koning toekomt, kon men hier vinden. Kamers waren voorzien voor kinderen, maar tot nu toe had Dagrun nog geen vrouw gevonden om tot koningin te kronen. Hoe hard de adviseurs hem ook aanspoorden om voor een nageslacht te zorgen, Dagrun hield het been stijf en wachtte geduldig de ware af.</p>
<p>Hoog boven op de kantelen van Dagruns vesting paradeerden Vikingkrijgers in vol ornaat. Met hun wijze waakzame ogen hielden ze de horizon nauw in de gaten. De met goud en zilver ingelegde wapenuitrusting, even mooi als dodelijk, gaf hen een strenge en elitaire uitstraling. Het zachte gerinkel van de metalen gespen op hun schoenen werd luidruchtig overstemd door hevig kabaal op het middenplein van de gitzwarte trots van Midgard. Twee mannen met ontblote torsos wentelden er om elkaar heen als kat en muis. De ene, een kloppende ader doorsneed zijn kale gelaat, had in elke hand een korte bijl met een lang houten blad. Zijn tegenstander, een bruine spierbundel met lang zwart haar, had twee handen nodig om zijn houten hamer in bedwang te houden. Onder aanstekelijk gejoel slaagde het schriele mannetje met de bijlen er steeds weer in de houten hamer te ontwijken, als een opgejaagde hond dartelde hij in het rond. De toeschouwers, een olijke verzameling stalknechten en soldaten, zetten kwistig geld in op het duo en het gerinkel van geld overstemde bijna het gehijg en geblaas van de vechtersbazen. Naarmate het gevecht vorderde, en geen van beide kemphanen de bovenhand leek te nemen, nam de stofwolk rond hun voeten toe. Het zweet dat van de lichamen stroomde vermengde zich met het rondvliegende stof. De bruine korst die zich zo vormde op de mannen gaf hen iets brutaals, iets barbaars. Net twee kleipoppen die elkaar de kop probeerden in te slaan. </p>
<p>‘Wel, wel!’ bulderde een diepe stem, en de vechtersbazen lieten spontaan hun wapens vallen. Angstig vielen ze op de knieën en begroeven bijna hun gezicht in de omgewoelde aarde. De statige figuur die rustig aan kwam slenteren was gekleed in een simpele bruine rijbroek met passende bruinleren laarzen en een groen hemd was los gedrapeerd over brede schouders. Zijn rosse haren, net koperdraad met hier en daar een grijze spriet, glansden in het felle zonlicht. Tussen de harde vlakken die zijn gezicht componeerden keken twee staalblauwe ogen die alles en iedereen leken op te slokken. Van ver of van dichtbij, Koning Dagrun de Moedige was een figuur die macht afdwong.<br />
‘Het spijt ons Meester Dagrun,’ mompelde de dikke spierbundel.<br />
‘Noemen jullie dat vechten stelletje nietsnutten?’ grijnsde de koning, een grijns die de twee op de grond volledig ontging.<br />
‘Het zal niet meer gebeuren Sire,’ antwoorde de dikke snel.<br />
‘Be&#8230;belooft,’ prevelde de smalle angstig. Stug knepen ze de ogen dicht, als twee kleine kinderen die een pak slaag verwachten. De koning ontblootte nu al zijn tanden, trok zijn groene hemd over het hoofd, en lachte luid. Op het gebeeldhouwde bovenlichaam van Dagrun was geen grammetje vet te bespeuren, de spierlagen overlapten elkaar. Met zijn voet schopte hij een knoestige stok vanonder het stof om deze vervolgens sierlijk op te vangen met zijn rechterhand.<br />
‘Laat maar eens zien wat jullie kunnen!’ grinnikte hij, en wenkte de twee met zijn vrije hand terwijl hij de knoest in zijn andere hand uitdagende rondjes in de lucht liet maken. Met open mond staarden de onderdanen hun koning nu aan, alsof hij wartaal uitsloeg, of misschien te veel gedronken had. Twijfelend stonden ze op en hielden een beetje dwaas hun wapens, de hamer en de korte bijlen, tegen zich aangedrukt. Dagrun zette een stapje naar voor. De Dikke en de Dunne stonden hem nog steeds verstomd aan te kijken. Het gesuis van de tak in Dagruns hand nam alleen maar toe, net een zwerm bedreigde wespen. Door de duizelingwekkend snelle omwentelingen leek het haast alsof de koning plots niet één, maar meerdere takken in zijn hand had. In de ogen van de onderdanen stond nog altijd een blik van totale verwarring, wilde de koning nu een robbertje vechten met twee stalknechten? De stok schoot pijsnel naar voor en tikte de Dikke niet onzacht op het voorhoofd. Ook de Dunne kreeg een stevige por in de ribben.<br />
‘Maar Sire wat&#8230;’ </p>
<p>De Dunne moest zijn zin genoodzaakt afbreken en zich reppen om een fikse klap van de stok op te vangen met zijn bijlen. De mannen zwegen en concentreerden zich nu op de snelle bewegingen van Dagrun, die de stok van hand naar hand liet springen. De dikke spierbundel waagde het als eerste om een tegenoffensief te lanceren en uit te halen met de zware voorhamer. Behendig als een kat en snel als een tijger bukte Dagrun zich, de hamer zoefde nog net boven zijn hoofd, om te reageren met een stevige tik op de knieschijf van zijn brede tegenstander. De Dunne besloot nu zijn kans te grijpen. Met beide bijlen in de aanslag probeerde hij de koning in de rug aan te vallen. Maar weer wist Dagrun te ontkomen aan de aanval. Hij bewoog zich twee passen opzij, onderschepte de ene bijl met de knoestige stok, en de andere greep hij bij de steel met de blote hand. Vliegensvlug draaide hij een kwartslag naar links en trok zo de bijl uit de hand van de overrompelde Dunne. De rug van Dagruns hand raakte onaangenaam hard de kaak van de smalle opponent en werd het even zwart voor diens ogen. De Dikke, met een grimas van pijn op het gezicht, besloot zich nog niet gewonnen te geven. Strompelend omklemde hij de hamer en begon deze wild in het rond te zwaaien. Als een dolle windmolen probeerde hij zijn meerdere uit evenwicht te brengen. Lichtvoetig ontweek de koning het gemolenwiek. De Dunne, nu met slechts één bijl, sloop langzaam dichterbij. Het stof cirkelde hypnotiserend rond zijn gespannen kuiten, zijn kaak deed pijn. Op de verre achtergrond zwol het gerinkel van muntstukken aan. Met een kreet stortte de Dunne zich op Dagrun. Dagrun, nog steeds de hamer ontwijkend, greep hem echter plotseling bij de nek en slingerde hem met al zijn macht naar de dolle windmolen. Het gewicht van de Dunne, als een lompe zak aardappelen, deed deze bezwijken. Met een schreeuw van pijn zakte de brede man door de knie waarop hij kort daarvoor een dreun had gekregen. </p>
<p>Als twee hulpeloze veulens lagen ze daar, hijgend en verslagen, in een wolk van rondvliegend stof en zand. Hoewel een nederlaag tegen Dagrun niet meer dan normaal was, leken ze toch wel een beetje teleurgesteld. De reacties van de toeschouwers waren verdeeld, zowel grimassen als glimlachen doorspekten de sterk aangezwollen menigte. De meesten onder hen begonnen naar het geld te grabbelen, zij waren slim genoeg geweest om niet tegen hun koning wedden. De rest, waarschijnlijk naïeve nieuwkomers, droop boos op zichzelf af.<br />
‘Niet slecht heren’, glimlachte de koning, en hij reikte de mannen een gespierde hand toe. Verslagen en verlegen maakten ze een snelle buiging en begonnen, een tikkeltje ongemakkelijk, het zand van zich af te slaan.<br />
 ‘Ik geloof niet dat ik de eer heb gehad jullie namen te leren kennen,’ en hij bekeek de heren van kop tot teen.<br />
‘Ik&#8230;mijn  naam is Njord, Sire,’ antwoordde de Dunne, gevolgd door een stuntelige buiging, ‘ maar al de jongens hier noemen mij de Dunne.’<br />
‘En ik ben Thorvald Sire, de smid, tot uw dienst,’ zei de Dikke, ‘maar sommigen durven al eens Dikke zeggen.’ Trots wees hij naar zijn dikke armen, staalhard van het harde werk achter de smidse.<br />
‘Njord en Thorvald, Dunne en Dikke,’ lachte te koning hartelijk, ‘ik hou wel van jullie enthousiasme.’<br />
Thorvald en Njord mompelden iets onverstaanbaar, waarschijnlijk omdat ze niet wisten hoe ze moesten reageren op een compliment van de koning. Dagrun krabde, diep verzonken in gedachten, aan zijn stoppelbaard en bleef de mannen stilzwijgend aanstaren.<br />
‘Houden jullie van jullie baan, als stalknecht en smid, hier in het kasteel?’ vroeg hij mysterieus. Vastberaden knikten de twee hun hoofd hevig op neer. In hun ogen zag Dagrun dat ze het ook vurig meenden, en het niet zomaar zeiden omdat hij hun meerdere, hun baas, was.<br />
‘Waarom staan jullie hier dan te vechten als een stel soldaten?’<br />
‘&#8230;’<br />
De mannen sloegen hun ogen neer en schuifelden nerveus met hun voeten heen en weer. Gingen ze dan toch nog gestraft worden? Of erger, gingen ze hun geliefde baan verliezen? Was Dagrun, hun koning, dan toch niet de sympathieke man zijn die ze dachten? Geamuseerd bestuurde Dagrun de stille reacties van de mannen.<br />
‘Wat zouden jullie ervan denken&#8230;’<br />
‘Maar Sire&#8230;’ stamelden de mannen, die angstig probeerden een straf, of zelfs hun ontslag, te ontwijken<br />
‘&#8230;ervan denken,’ vervolgde Dagrun luider, ‘om toe te treden tot het leger van Midgard?’<br />
Bijna begonnen de twee weer te protesteren, maar toen drongen de woorden tot hen door. Hun ogen schoten pijlsnel naar omhoog om, voor de tweede keer het afgelopen uur, vol ongeloof naar de koning te staren. Hun mond viel, bijna letterlijk, tot op hun schoenen.<br />
‘Maar Sire, wij zijn maar simpele knechten en&#8230;’<br />
‘Is het nu genoeg met dat gemaar!’<br />
Geschrokken sprongen de mannen recht en zwegen wijselijk.<br />
‘Ja of nee?’ vroeg Koning Dagrun kordaat.<br />
‘Natuurlijk Sire, het zou een eer zijn u te dienen,’ repliceerden de Dunne en de Dikke als uit één mond.<br />
‘Morgenvroeg, net na het ontwaken van de zon, verwacht ik jullie hier terug in een gemakkelijke tuniek en stevige schoenen.’<br />
‘U kunt op ons rekenen Sire,’ gevolgd door dezelfde stuntelige buiging.<br />
‘Geniet van jullie laatste dag als stalknecht jongens, vanaf morgen begint het echte werk,’ en met een sierlijke draai van zijn laars in het losse zand liet hij de twee verbijsterde knechten achter zich en begaf zich naar zijn vertrekken. </p>
<p>De grijns verdween van zijn gezicht en een diepe frons plooide zijn voorhoofd dubbel. Een donkere wolk schoof als een sluier voor de zon en sneed haar warme stralen kort af. Hij zou alle manschappen kunnen gebruiken, hij zou hen allemaal hard nodig hebben. Met een luide klap sloot hij de verstevigde deur die zijn vertrekken van de rest van het kasteel scheidde, de galm van metaal op metaal als klokgelui in de torens van Helheim.</p>
<p>Al snel waren alle vissen uitverkocht en bereid boven de zachte houtvuren van de Midgardianen. De broden werden opgegeten, de kruimels aan de kippen gegeven. Einar gespte zijn zwaard op zijn rug, wuifde zijn kompanen gedag, en wandelde langzaam naar huis. Ook de zon leek het stralen beu te zijn en begroef zich terug in de diepe krochten van de horizon. Vanachter de vele luikjes, die alweer gesloten waren, kwam alleen nog het zwakke licht van een eenzame kaars of olielamp. Alleen in Odins Oog werd er luidkeels geroepen en gezongen. Gunnar de Vis liet het bier met grote teugen door zijn keel glijden en hij lachte hartelijk om de schunnige moppen en straffe verhalen van zijn medevissers. Galinn de Gek zat weer heen en weer te wiebelen op zijn kruk, met elke hoorn bier leek zijn evenwicht verder weg te dwalen. ‘Hoeveel tanden zou hij deze nacht verliezen?’ vroeg Njord zich af. Ook Olaf de Bakker was nog wakker, hij kneedde zorgvuldig het deeg dat het brood voor morgen zou worden. Liv zong haar kleine tweeling een slaapliedje, hun gelukzalig geknor verspreidde zich snel vanuit de kribbe en al snel vleide ze zich neer in haar schommelstoel om op haar man te wachten. De vlammen van de open haard deden de schaduwen schuw rond haar stoel springen. De maan bekleedde haar vaste stekje hoog in de hemel en liet haar zachte blauwe licht neerdalen op de dalen en bergtoppen van de Aarde. Midgard sloot zijn oogjes. De mannen snurkten er lustig op los, de vrouwen ergerden zich en vroegen zich af waarom ze met een zwijn getrouwd waren.</p>
<p>Hoog boven in zijn glanzende kasteel lag er echter iemand hopeloos te woelen tussen zijn satijnen dekens. Dagrun kon de slaap maar niet vatten. Nachtmerries bewandelden zijn dromen en besprongen hem vanachter elke hoek en vanuit elke donkere steeg. Links en rechts draaide hij. Op zijn zij. Op zijn rug. Op zijn buik. Het zweet stroomde van zijn voorhoofd terwijl hij daar lag, half verzonken in een droomwereld die maar niet duren wilde. De woorden van de ziener bleven in zijn hoofd spoken: ‘De wolf verslindt de maan, en de horizon brand, Ragnarok!’ De ziener, een oude blinde wijze die de toekomst voorspelde aan de hand van varkensingewanden, was toen schokkend van zijn stoel gevallen. Zijn ogen tolden in zijn oogkassen en het schuim stond hem op de mond. Enkele uren later was de man bezweken, zelfs de meest betrouwbare geneesheren begrepen niet waarom, de man was, voor zijn leeftijd, kerngezond. Dagrun was vandaag een goede vriend en een vader verloren, de ziener had hem opgevoed en was sindsdien zijn raadgever gebleven. Als een vader had hij gewaakt over Dagrun, en over Midgard. Vaak had hij Dagrun geholpen met het doorhakken van knopen en het oplossen van problemen die onoverkomelijk leken. Altijd was hij daar, altijd klaar om te helpen of de juiste woorden te zeggen. Wat nu gedaan? De nachtmerries leken eindeloos&#8230;</p>
<p>Enkele uren nadat de nacht haar donkere sluier rond de aarde had gewikkeld en de maan trots schitterde tussen haar duizenden sterren stak een hevige wind vanuit het Westen op. De oude kruinen op de vele bergtoppen die Midgard rijk was kraakten verontwaardigd. Een welgemeende kreet van protest tegen de plotse verstoring van hun nachtrust. Het anders zo rustige water van de fjorden klotste wild heen en weer naarmate de wind steeds harder en harder ging blazen. Donkere wolken kwamen dreigend in flarden aandrijven en bedolven de maan onder een tapijt van absolute duisternis. Net alsof een levende nachtmerrie de maan zonder pardon had verslonden. De luikjes van Mannheim ratelden en piepten, het gekletter zwol aan samen met het gejoel van de wind en vormde zo een oorverdovend geheel. De vrouwen kropen wat dichter bij hun man aan terwijl de kinderen met bange oogjes naar het plafond staarden. Al snel sneden felle bliksemschichten de hemel aan stukken en braakten de wolken dikke regendruppels uit. De aarde leek wel te schudden en te beven. Hier en daar viel dan ook een verweerde schoorsteenpijp van de daken. De doffe ploffen deden Einar meer dan eens wakker schrikken, vrezend voor een nachtelijk verrassingsoffensief van de Reuzen. Het weer trok en sleurde aan Midgard. </p>
<br /><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/categories/whatsthatvoice.wordpress.com/7/" /> <img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/tags/whatsthatvoice.wordpress.com/7/" /> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gocomments/whatsthatvoice.wordpress.com/7/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/comments/whatsthatvoice.wordpress.com/7/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godelicious/whatsthatvoice.wordpress.com/7/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/delicious/whatsthatvoice.wordpress.com/7/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gofacebook/whatsthatvoice.wordpress.com/7/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/facebook/whatsthatvoice.wordpress.com/7/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gotwitter/whatsthatvoice.wordpress.com/7/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/twitter/whatsthatvoice.wordpress.com/7/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gostumble/whatsthatvoice.wordpress.com/7/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/stumble/whatsthatvoice.wordpress.com/7/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godigg/whatsthatvoice.wordpress.com/7/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/digg/whatsthatvoice.wordpress.com/7/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/goreddit/whatsthatvoice.wordpress.com/7/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/reddit/whatsthatvoice.wordpress.com/7/" /></a> <img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=whatsthatvoice.wordpress.com&amp;blog=595820&amp;post=7&amp;subd=whatsthatvoice&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://whatsthatvoice.wordpress.com/2006/12/06/norsk-hoofdstuk-3/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
	
		<media:content url="http://0.gravatar.com/avatar/c7515fb5501b1586d16a7eb128d558cc?s=96&#38;d=identicon" medium="image">
			<media:title type="html">lepermessiah</media:title>
		</media:content>
	</item>
		<item>
		<title>Norsk Hoofdstuk 2</title>
		<link>http://whatsthatvoice.wordpress.com/2006/12/06/norsk-hoofdstuk-2/</link>
		<comments>http://whatsthatvoice.wordpress.com/2006/12/06/norsk-hoofdstuk-2/#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 06 Dec 2006 19:49:06 +0000</pubDate>
		<dc:creator>lepermessiah</dc:creator>
				<category><![CDATA[Hoofdstuk 2]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://whatsthatvoice.wordpress.com/2006/12/06/norsk-hoofdstuk-2/</guid>
		<description><![CDATA[2. Midgard Met een diepe zucht sloot Einar het dikke boek. Voorzichtig gluurde hij over de rand van de wieg. Twee kleine borstkastjes bewogen zich langzaam op en neer. Hun gelukzalige houding, met gesloten ogen en duimpjes in de mond, toverde een glimlach op zijn gezicht. Langzaam schoof Einar het boek weer op zijn plaats [...]<img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=whatsthatvoice.wordpress.com&amp;blog=595820&amp;post=6&amp;subd=whatsthatvoice&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><strong>2. Midgard</strong></p>
<p>Met een diepe zucht sloot Einar het dikke boek. Voorzichtig gluurde hij over de rand van de wieg. Twee kleine borstkastjes bewogen zich langzaam op en neer. Hun gelukzalige houding, met gesloten ogen en duimpjes in de mond, toverde een glimlach op zijn gezicht. Langzaam schoof Einar het boek weer op zijn plaats in de oude eiken kast. Even liet hij zijn vingertoppen over het prachtige houtsnijwerk glijden. Hij sloot zijn ogen en volgde de gladde lijnen op de deuren van de kast. Twee jaar had het geduurd om haar te voltooien. Samen met zijn vader, die kortelings naar Walhalla vertrokken was, had hij er uren aan gewerkt. De mythische taferelen werden tot in de kleinste details uitgewerkt. Thor en zijn hamer Mjolnir, de monsterachtige slang Jormungand, Odin op zijn troon in Bilskirnir en het machtige schip Skidbladnir sierden het robuuste hout. Hoewel steeds minder mensen geloofden in deze oppermachtige en bovennatuurlijke wezens, slaagden ze er keer op keer in Einar te fascineren en mee te voeren naar een fabelachtig land waar niets onmogelijk was. </p>
<p>Hoe vergezocht deze creaturen ook leken, vaak leken de mythes wel deels te kloppen. Dat Odin Ymirs lichaam in stukjes kapte en diens voorhoofd gebruikte om een omwalling rond Midgard te maken was inderdaad absurd, maar de reuzen waar deze omwalling bescherming tegen moest bieden waren jammer genoeg iets minder absurd. Bijna dagelijks bestormden deze gruwelijke monsters de poorten van het Rijk. Met gigantische zwaarden en hamers beukten ze op de muren. Het inmiddels zwaar getrainde leger van koning Dagrun rukte steeds weer moedig op. Vaak sneuvelden enkele van deze moedige krijgers, maar de Reuzen werden altijd gedwongen terug te trekken. Einar is één van deze dappere soldaten.</p>
<p>Einar blies de kaarsjes naast de kribbe van Else en Ragnar uit. De dunne sliertjes rook werden speels meegevoerd door de zachte avondbries. Hij wierp nog een laatste blik op zijn tweeling en sloot voorzichtig de deur. Het was nu bijna drie jaar geleden. Negen maanden en vier dagen lang had zijn vrouw Liv de zware last meegedragen. Toen wisten ze nog niet dat er niet één, maar twee kinderen wachtten om het levenslicht te zien. De verrassing was dus ook groot toen er na de eerste baby, Else, nog een tweede kinderhoofdje tevoorschijn kwam. Einar viel spontaan flauw en Amma, de Dorpswijze en tevens verloskundige van dienst, moest zich reppen om het tere lichaampje van Ragnar op te vangen voor het op de grond viel. Nog geen vijf seconden later vulden twee piepjonge keeltjes de kamer met hun hemels geschreeuw. Amma wikkelde Else en Ragnar in warme doeken en gaf hen aan Liv, die de twee fier tegen haar borst drukte. Einar kreeg een emmer koud water over het hoofd en even later stond hij ook trots naast zijn kroost. De tweeling was hoogst onverwacht, maar zeker niet ongewenst…</p>
<p>‘Slapen ze?’ vroeg Liv vanuit haar houten schommelstoel bij het haardvuur. Door het vreemde schaduwspel van de open haard leek het wel alsof de stoel haar probeerde op te slokken.<br />
‘Ja hoor, ik ben blijven lezen tot ze in slaap vielen’ antwoordde Einar, vermoeidheid in zijn stem, ‘ze krijgen maar niet genoeg van de mythische wezens in de Prose Edda.’ Hij liet zijn voeten over het berenvel op de grond schuiven tot bij zijn vrouw, die heen en weer wiegde in haar stoel, genietend van de warmte van het vuur. Einar bukte zich en kuste haar teder op de wang.<br />
‘Je weet dat ik niet graag heb dat je hen daaruit voorleest Einar, binnenkort gaan ze al die fabeltjes nog geloven ook.’<br />
‘Misschien staat er wel meer waarheid in dan je denkt.’ flapte Einar eruit, en besefte te laat dat dit alleen maar olie op het vuur was. Een vuur dat hij liever niet oprakelde vanavond. Al zijn botten deden pijn, zijn lichaam schreeuwde dat het wilde slapen.<br />
‘Einar, doe toch normaal. Je weet best dat er van al die verhaaltjes niets aan is…’ begon Liv. Einar luisterde al lang niet meer. Deze discussie had hen al vele slapeloze nachten bezorgd, waar ze geen van beiden hun ongelijk hadden willen toegeven. Hij liet zijn blik door de kamer glijden, de vele kaarsjes zorgden voor een warme en gezellige sfeer. Kleine schaduwen dansten vrolijk in het rond. </p>
<p>Hij liet zijn ogen dwalen. De kling van het zwaard reflecteerde zijn felgroene ogen, eigenaardig voor een Viking. Zijn harnas lag wat vergeten op de kast, precies waar hij het vroeger die avond gegooid had. Diepe deuken ontsierden het kuras en het gouden symbool dat op de borst gesmeden was. De Hamer van Thor, Mjolnir, met zijn korte steel en gigantische kop, was een embleem dat enkel werd toegekend aan krijgers die bijzondere moed toonden in het heetst van de strijd. De Hamer op zijn borst had hem meteen ook gepromoveerd tot leider van een volledig bataljon, dat hij trots Odins Hamer had genoemd. Einar had dit symbool ontvangen voor zijn moed in de strijd tegen de zonen van de Vuurreus Sutr, enkele maanden geleden. </p>
<p>Eén nacht geleden, hadden Thrym en zijn monsterlijke volgelingen de kolkende rivier Iving overgestoken. Deze rivier vormde de grens tussen Midgard, het Rijk der Mensen, en Jotunheim, het Rijk der Reuzen. Als een grauwe slang kolkte ze om het koninkrijk, een vreemd blauw licht reflecterend in het maanlicht. De nachtwakers die de wallen om Midgard bezetten, tuurden als arenden in de verte. Ze hadden de vijand al van ver zien aankomen. Met hun arendsogen speurden ze de horizon af en zagen dat Thrym zelf aanvoerder was van zijn troepen. De grote IJsreus overschaduwde zijn troepen. Alarmvuren werden aangestoken en met metalen stangen op de gongs, verspreid doorheen Midgard, geklopt. Binnen de kortste keren stond heel het koninkrijk in rep en roer. Einar hoorde als eerste het scherpe klokgelui. Bliksemsnel gooide hij de dekens van het bed en rende als een gek naar de deur. Snel maar zorgvuldig gespte hij zijn kuras rond zijn middel, greep zijn zwaard met beide handen, en stormde naar buiten. </p>
<p>De chaos was alom, links van hem trokken vrouwen een sliert huilende kinderen voort. De bruusk uit hun slaap gewekte jongelingen werden in allerijl naar de kelders onder het kasteel gebracht. Deze machtige vesting, volledig opgetrokken uit het hardste graniet gevormd in de krochten van Ginnungagap volgens de overlevering, bood de kinderen en vrouwen de beste bescherming tegen de oprukkende Reuzen. Omgeven door een diepe sloot, was het een onneembare vesting bestand tegen elke aanval. Boogschutters bekleden de dikke muren, kokende ketels pek aan hun voeten. De hallen waren dik bezaaid met elite-Vikingkrijgers. Menig vijand had zijn tanden stuk gebeten op de punten van hun pijlen en het scherp van hun zwaarden.<br />
‘Marianne!’ gilde één van de vrouwen. Met wilde ogen speurde ze de omgeving af naar de kleine peuter. Hier en daar sloeg een zware kei een gat in één van de talrijke huizen. Blijkbaar hadden de Reuzen hun artillerie meegebracht. Ze sloeg haar handen voor haar gezicht en stond radeloos in het rond te kijken. Einar, denkend aan zijn eigen kinderen, zag de kleine Marianne huilend achter een hoekje zitten. Hij stak zijn zwaard in de schede op zijn rug en tilde de kleine peuter teder en voorzichtig op. Het meisje sloeg haar armen om zijn gespierde nek en probeerde het nakende onheil buiten te sluiten door haar gezicht hard tegen Einars borstkas te drukken. Einar spoedde zich naar de radeloze vrouw. Opgelucht nam ze de kleine Marianne in haar armen keek Einar dankbaar aan.<br />
‘Bedankt Viking,’ zuchtte ze en bekeek het symbool, Mjolnir, op zijn kuras. ‘Stuur die Reuzen terug naar Helheim, het land waar de Dood meester is.’<br />
‘Maak je geen zorgen kvinne(4).  Vanavond zal er bloed vloeien, maar het zal niet het mijne zijn,’ zei Einar met een grijns op het gezicht. Net op dat moment schudde de aarde hevig, de Reuzen hadden de muur bereikt.</p>
<p>Met al hun macht beukten de Reuzen er op los, de luide knallen overstemden bijna het klokkengelui en het gegil van de kinderen. Einar spurtte naar de Oostelijke poort. Overal waar hij keek zag hij glimmende kurassen, zwaarden, knotsen en hamers. Hier stonden ze dan, het Leger van Midgard, Odins Hamer. Twintig lange rijen gevuld met staalharde blikken. Twintig rijen moordmachines. Vijfhonderd dappere mannen die zich zonder verpinken in de strijd gooien. Einar begaf zich naar de poort en draaide zich om om zijn strijdkompanen toe te spreken.<br />
‘Manschappen!’ schreeuwde hij, ‘Thrym staat voor de poorten van ons prachtige Midgard.’<br />
Dit werd onthaald met een geluid dat alleen maar beschreven kan worden als een dierlijk gegrom, als beren die hun jong beschermen.<br />
‘Nog nooit is Midgard gevallen, en nooit zal het vallen!’ vervolgde hij. Zijn Vikingkrijgers juichten luid en sloegen met hun wapens op hun kuras. Het luidde gekletter van metaal op metaal, om de vijand uit te dagen en zichzelf moed in te spreken.<br />
‘Open de poort!’ beval Einar. Achter hem weerklonk het geknars van een ingewikkeld raderwerk met gewichten en kettingen dat zich in werking in werking zette. </p>
<p>De massieve poort sputterde heftig tegen. Opgetrokken uit eeuwenoude rode eikenstammen van enkele meters dik, en bekleed met metalen platen, was het bestand tegen de zwaarste aanvallen. Drie jaar had het geduurd om haar te bouwen. Vier ton staal en zeker twintig smeltovens werden dag en nacht verhit. Het geratel van de hamers op de aanbeelden en het gloeiende metaal, een oorverdovend geluid moet het geweest zijn. Langzaam maar zeker opende het gevaarte zich. Een bijna surrealistisch beeld, het openen van de poort naar Helheim. Door de nauwe spleet die zo ontstond werd het lugubere licht van duizenden toortsen en vlammende pijlen weerspiegeld op de harnassen van de krijgers. In de vreemde gloed die zo ontstond leek het alsof ze beschenen werden door het licht van de Goden, een bovennatuurlijke aureool boven hun hoofd. Einar draaide zich om en staarde recht in de ogen van de dood. De taferelen die zich voor hem afspeelden waren gruwelijk om aan te zien. </p>
<p>Hoog in de lucht keek de maan neer op het slagveld, met haar kille grijze stralen verlichte ze de gigantische plas bloed. Her en der lagen lichamen verspreid, als molshopen in een veld bloed. Met een ongeziene furie hakten de Reuzen op alles wat hen in de weg stond. De Mensen boden hardnekkig weerstand, hun zwaarden en bijlen misten hun doel niet. Links en rechts vielen Reuzen met een doffe smak neer in het met bloed doordrenkte gras. Maar waar er één viel, leek het wel of er twee in de plaats kwamen. Op de hoge glimmende muren, die Midgard omringden en opgetrokken waren uit hetzelfde graniet als het kasteel, stonden twee bataljons boogschutters. Hun pijlpunten dompelden ze in brandende olie alvorens ze af te vuren. Salvo na salvo van deze brandende projectielen pompten ze in de oprukkende Reuzentroepen. Duizend vlammende punten die door vlees en been sneden. Het doden en gewonden aantal stapelde zich hoog op aan beide kanten. Zowel Reuzen en Mensen lieten het leven bij de bosjes.</p>
<p>‘Odins Hamer, voorwaarts!’ brulde Einar en met een geweldige sprong wierp hij zich in het strijdgewoel. Als een bliksemschicht verscheen zijn zwaard in zijn handen, klaar om Reuzenvlees te klieven. Met zijn ronde schild slaagde hij erin elke aanval af te wenden om vervolgens met al zijn kracht in te beuken op de vijand. Meedogenloos suisde het brute zwaard om hem heen. Odins Hamer volgde hem kort op de voet, als een stormram beukten ze in op de vijandelijke linies. Zo kapten ze een gat in de schijnbaar ondoordringbare muur van Reuzenpantser. Vlammende pijlen suisden hen om de oren en het gejoel van de manschappen werd alleen maar overstemd door het geluid van metaal op metaal. Zwaard op kuras, hamer op helm, zwaard op zwaard. </p>
<p>Plotseling werd het stil op het slagveld. Even leek het alsof de tijd stilstond, niets of niemand bewoog. In de verte doemde een grote zwarte massa op. Met elke stap scheen de aarde onder hun voeten te beven. Schouders zo breed als vier mannen, bekleed met een dikke laag metaal die langs weerszijde omhoog kromde in een gitzwarte piek. Het kuras vertoonde dezelfde schrikwekkende kenmerken. Vlijmscherpe punten leken langs overal uit het dikke zwarte metaal te springen. De monsterlijke helm die het geheel compleet maakte bestond uit een zware metalen sfeer met twee schuinstaande opening voor de ogen. Bovenop de bol werd het patroon van gitzwarte, vlijmscherpe pieken herhaald. Een bliksemschicht sneed de hemel in twee en verlichte de groteske hamer die ludiek over Thryms schouder gedrapeerd hing. De steel alleen mat twee en een halve meter en de kop was groot genoeg om een huis met één zwaai aan diggelen te slaan. Thrym greep het wapen met beide handen en met al zijn macht haalde hij uit. De tien moedige krijgers die kwamen aangerend, werden verpletterd als muggen wanneer de hamer neerkwam op hun schilden. Het gekraak van hun panster werd overstemd door de geweldige knal waarmee het wapen de grond raakte. Met een grijns op zijn gezicht, en een flits van gele tanden, veegde Thrym het bloed van zijn helm. Hij hakte zich een weg door de Mensenmassa als een warm mes door boter. </p>
<p>Einar had het bloedbad van op een afstand gezien. Zijn bloed kookte en zijn ogen vatten vuur.<br />
‘Voor Odin!’ bulderde hij, ‘Odins Hamer!’<br />
Zijn strijdkreet werd langs alle kanten beantwoord door krijgers uit zijn bataljon. Als gekken kapten ze zich een weg langs de Reuzen om Einar te kunnen bereiken. Eenmaal daar hergroepeerden de dappere krijgers zich rond Einar en renden als een goed georganiseerd geheel op Thrym af. Op nog geen vijf meter van de grote muur bereikten ze de imposante IJsreuzen koning. Wild in het rond zwaaiend met zijn hamer dwong hij de manschappen van Odins Hamer om afstand te houden. Toch zagen sommigen van hen een kans om tussen de mokerslagen door op Thrym af te stormen. Terwijl deze dappere Vikings stevig van zich af beten en met al hun kracht op Thrym inbeukten, besloop Einar de Reus langs achter. Door het zware offensief dat Thrym te verduren kreeg, kon hij nog moeilijk zijn evenwicht bewaren. Als mieren op een rups bewerkten de krijgers Thrym. De Reus op zijn beurt, gaf zich niet zomaar gewonnen en verpletterde menig Mensenhoofd met zijn waanzinnige stalen hamer. Het gekraak van botten en metaal versplinterde het slagveld.</p>
<p>Met een schelle schreeuw zakte Thrym door zijn knieën. In zijn nek zat het lange tweehandige zwaard van Einar. Triomfantelijk liet hij zijn zwaard los en keek toe hoe de Reus zijn laatste zware adem uitblies. De Vikings van Odins Hamer juichten en met vernieuwde energie storten ze zich op de overblijvende Reuzen. Paniekerig keken deze in het rond, uit hun lood geslagen door de dood van hun meester. Velen van hen sloegen op de vlucht, op de hielen gezeten door moordlustige mensen die een overwinning roken. Als een kudde losgeslagen koeien vluchtten de Reuzen naar de bleke rivier Iving, die hen op haar beurt verzwolg in haar kolkende waters. De belegering en het gevaar waren ten einde. Het veld was bezaaid met lichamen, de kraaien keken met hun kraaloogjes hongerig toe.</p>
<p>‘Einar?’<br />
Met een schok kreeg de kamer rondom weer vorm, de nachtmerries van enkele uren geleden vervaagden als mist in een storm.<br />
‘Einar, schat?’ herhaalde Liv, ‘gaat het?’<br />
‘Wat zeg je, oh ja hoor…’ mompelde Einar, ‘ik zou alleen wat slaap kunnen gebruiken denk ik.’<br />
‘Ik kom zo, welterusten.’<br />
‘Tot morgen.’</p>
<br /><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/categories/whatsthatvoice.wordpress.com/6/" /> <img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/tags/whatsthatvoice.wordpress.com/6/" /> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gocomments/whatsthatvoice.wordpress.com/6/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/comments/whatsthatvoice.wordpress.com/6/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godelicious/whatsthatvoice.wordpress.com/6/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/delicious/whatsthatvoice.wordpress.com/6/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gofacebook/whatsthatvoice.wordpress.com/6/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/facebook/whatsthatvoice.wordpress.com/6/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gotwitter/whatsthatvoice.wordpress.com/6/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/twitter/whatsthatvoice.wordpress.com/6/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gostumble/whatsthatvoice.wordpress.com/6/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/stumble/whatsthatvoice.wordpress.com/6/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godigg/whatsthatvoice.wordpress.com/6/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/digg/whatsthatvoice.wordpress.com/6/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/goreddit/whatsthatvoice.wordpress.com/6/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/reddit/whatsthatvoice.wordpress.com/6/" /></a> <img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=whatsthatvoice.wordpress.com&amp;blog=595820&amp;post=6&amp;subd=whatsthatvoice&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://whatsthatvoice.wordpress.com/2006/12/06/norsk-hoofdstuk-2/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
	
		<media:content url="http://0.gravatar.com/avatar/c7515fb5501b1586d16a7eb128d558cc?s=96&#38;d=identicon" medium="image">
			<media:title type="html">lepermessiah</media:title>
		</media:content>
	</item>
		<item>
		<title>Norsk Hoofdstuk 1</title>
		<link>http://whatsthatvoice.wordpress.com/2006/12/06/norsk-hoofdstuk-1/</link>
		<comments>http://whatsthatvoice.wordpress.com/2006/12/06/norsk-hoofdstuk-1/#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 06 Dec 2006 19:47:12 +0000</pubDate>
		<dc:creator>lepermessiah</dc:creator>
				<category><![CDATA[Hoofdstuk 1]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://whatsthatvoice.wordpress.com/2006/12/06/norsk-hoofdstuk-1/</guid>
		<description><![CDATA[1. Chaos In de kolkende oermassa werden licht en donker gescheiden. Een wervelend geheel uiteen gescheurd door de ongekende krachten van het universum. Bliksemstormen die uit het niets ontstonden en in het niets weer oplosten. Enorme hitte wisselde vreselijke koude af. Licht vocht met donker, donker met licht. In deze stormen begonnen de oerkrachten zich [...]<img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=whatsthatvoice.wordpress.com&amp;blog=595820&amp;post=5&amp;subd=whatsthatvoice&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><strong>1. Chaos</strong></p>
<p>In de kolkende oermassa werden licht en donker gescheiden. Een wervelend geheel uiteen gescheurd door de ongekende krachten van het universum. Bliksemstormen die uit het niets ontstonden en in het niets weer oplosten. Enorme hitte wisselde vreselijke koude af. Licht vocht met donker, donker met licht. In deze stormen begonnen de oerkrachten zich te meten. Licht en donker gaven weg tot goed en kwaad. Zwart en Wit. De zee van chaos draaide en wentelde zich in het niets, eeuwen lang vechtend met zichzelf. Vuur rees statig op uit de oermassa. </p>
<p>Vuur gaf weg tot Aarde, Wind gaf weg tot Water. De wildernis van vuur en aarde zou vanaf nu Muspellheim heten. Vurige tongen likken er aan de hemel, de aarde is zwartgeblakerd en dor. Het gesmolten oppervlak wordt er voortdurend omgeploegd door genadeloze stromen magma en gesmolten metaal. Dikke, zwarte gaswolken kijken grijnzend neer op het schouwspel aan hun voeten. Licht en Donker, Goed en Kwaad. </p>
<p>Wind botste met Water, het ijsland Niflheim eiste zijn plaats op in de oeverloze Leegte. Massa van onschendbare wind en eindeloze lagen ijs. Overschaduwd door Mist, ondoordringbaar en moordend. Gletsjers vreten zich een weg in de ijsbergen. Leven werd brutaal in de kiem gesmoord. Gewelddadig maar puur. Het zuivere IJs en de bijtende Wind.</p>
<p>De oerkracht kolkt en draait. Muspellheim en Niflheim naderen elkaar…<br />
Raken zullen ze nooit: Licht en Donker. Goed en Kwaad. Waar Wind Aarde ontmoet en IJs Vuur, ontstond Ginnungagap. De Eeuwige leegte waar niets is en nooit iets was. Waar alles kan, maar alles gedoemd is ten onder te gaan. De wereld van Tumult en Chaos. Aan weerszijde werd Ginnungagap ingedamd. In het Oosten door de vaste ijsmassa Niflheim. In het Westen door het vurige land Muspellheim. Opgesloten in een statische kooi van loeiende wind en brandende assen. Hoog in de bergen van Niflheim ontsproot een eeuwige rivier vanonder een gletsjer. Langzaam maar zeker groef ze zich een weg naar Ginnungagap. Als tranen uit het Reine Land donderde ze kilometers diep in de maalstroom van chaos. Razende vulkanen grepen met vingers van vurige lava naar de hemel. Vol razernij vielen ook zij terug op de aarde en zetten hun verwoestende pad voort naar de kille leegte van Ginnungagap. De ravijnen in het Westen werden gekleed in een tapijt van vurig magma. Ook het grauwe Muspellheim eiste zijn plaats op in diepte van de wereld van Chaos en Tumult.</p>
<p>Waar ijskoud witheet ontmoet ontstond de Kiem van alle leven. Magma en ijs werden één. Licht en Donker, Goed en Kwaad samengesmolten door chaos. Eitr, de geboorteplaats des leven. Negen dagen en negen nachten brulde Ginnungagap als een getoornde god. Brekende botten, kokend bloed, een orgie van ijzingwekkend gehuil. In de chaos die Ginnungagap was, ordende de Eitr zich tot een geheel: Ymir.</p>
<p>Ogen zo koud als staal, een lavastroom kolkte door zijn hart. De trillende Vorstreus opende langzaam de ogen en staarde naar zijn omgeving. Hij opende zijn klauwen en greep de top van het ravijn met zijn linker. Chaos omsloot zijn gespierde benen en trok hem met alle macht terug de leegte in. Met een laatste krachtinspanning en een geweldige kreun slaagde Ymir erin te ontsnappen aan de wanorde van Ginnungagap. Het serene beeld van een nieuw wezen dat geboren wordt, was een welkome afwisseling in een wereld waar niets eindig lijkt. </p>
<p>In zijn rechterklauw koesterde Ymir de koe die hem in leven zou houden. Ze was samen met Ymir uit het Eitr verrezen op de negende dag na de vorming van Ginnungagap. Audhumla likte aan de rijmstenen van Niflheim om zich in leven te houden met het zout, en warmde zich aan de vuren van Muspellheim. Uit de uiers van Audhumla stroomde vier gelijke rivieren melk die op hun beurt Ymir in leven hielden. Gevoed door de krachten van de Levensmelk was hij erin geslaagd zich los te rukken uit Chaos.</p>
<p>Ymir verkende de landen die hij de zijne noemden. Op de hoogste toppen in Niflheim verbeet hij de koude van de snijdende wind om vervolgens de magmarivieren van Muspellheim te trotseren. Na negen dagen zwerven, vleide hij zich neer aan de voet van een reusachtige berg in een onbekend gebied. Ymir sloot de ogen en wikkelde zich in een gewaad van dromen en vrede. In de warmte van zijn oksels groeide een zoon en een dochter. Aan zijn voet ontstond de eerste reuzenvrouw. Eigenhandig had Ymir, de eerste reus, op miraculeuze wijze gezorgd voor het eerste Ras: het trotse Ras der Reuzen. Met zijn nieuwe familieleden trok Ymir naar het noordelijke land, dicht bij de diepe zee. Ze voedden zich met de vissen die speels rondzwommen in het diepblauwe water. Het Ras van de Eerste floreerde in Jotunheim. Maar ook Audhumla schiep op wonderbaarlijke wijze een Ras. Na haar vrijlating uit de krochten van Ginnungagap had ook zij een lange zwerftocht aangevat. Op de eerste dag dat ze zich met rijmsteenzout voedde groeide het haar van een man. De tweede dag het hoofd en op de derde en laatste dag het lichaam. Geschokt opende Borr de ogen en aanschouwde het land dat hij het zijne noemde.</p>
<p>Borr, van het Ras der Mensen, trouwde met een reuzin. De vermenging van deze twee wonderbaarlijke creaturen leidde tot de fantastische geboorte van drie zonen. Half Mens, half Reus waren ze eigenlijk geen van beide. De Chaos van Ginnungagap stroomde door hun aderen, maar het Licht vulde hun hart. Zij bezaten een kracht die tot voordien ongezien was in het universum, een reïncarnatie van de oerkrachten in vleselijke wezens… Negen jaar lang zorgde de reuzin voor het kleine drietal; Odin, We, en Wili werden verbazingwekkende mannen. Ze doorzwierven het land zonder angst. Het was alsof het universum rond hen heen kolkte. Op een dag stond Odin te genieten van het uitzicht boven op een berg die hij zonet had beklommen met zijn twee broers. De Chaos borrelde naar boven en plantte een vreselijk idee in hun hoofd. Het licht werd gedoofd door het inktzwarte water…</p>
<p>Uit het metaal van de berg smeedden de drie broers een gigantisch zwaard. De kling glansde in het kille ochtendlicht. Met een ruwe hand omsloot Odin het heft. Ymir opende de ogen, een walm van angst en ongeloof trof zijn magmahart. Met al zijn macht dreef Odin de punt van het zwaard in de borst van Ymir. Ymir was op slag dood en bloedde hevig. Zijn bloed stroomde verder, en vormde de rivieren en de oceanen. Een zondvloed van levenskracht overspoelde het Ras der Reuzen. Slechts enkelen van hen overleefden de dood van Ymir. Odin knielde, sloot de ogen, en wenste Ymir een goede reis toe. De Chaos werd verdreven door het licht en trok zich terug in de donkere krochten van de zielen van de drie broeders. Daar brandde het sluimerend in het donkere, wachtend tot het einde der dagen.</p>
<p>Met een laatste krachtinspanning trok Odin het gigantische zwaard uit Ymirs hart. Keer na keer liet hij de machtige kling neerdalen op de aarde. Aardebevingen verscheurden het land, bergketens rezen en vielen. Als monsterlijke tanden beten ze de aarde in stukken. Drie dagen en drie nachten lang kliefde Odin het lichaam in stukken. Wili en We bewerkten Ymirs lichaam en creëerden zo Midgard, het Rijk der Mensen. Ymirs botten vormden bergketens, zijn tanden rotsblokken. Uit Ymirs haar groeiden bomen in alle soorten en maten. Hoge groene kruinen grepen als vingers naar de hemel. De maden uit zijn vlees kregen vorm en het Ras der Dwergen was geboren. Odin greep Ymirs schedel en gooide die de lucht in, op elke hoek plaatse hij een Dwerg om de schedel op zijn plaats te houden. Deze Dwergen heetten Noord, Oost, Zuid, en West. Zo werden de hemel en de lucht geschapen. Vervolgens grepen de drie zonen van Borr vonken uit Muspellheim, en ze gooiden deze de hemel in. Voor eeuwig zouden ze als sterren schitteren in het niets. </p>
<p>Odin, Wili en We bundelden hun krachten voor een laatste maal. De aarde en het universum daverden, Chaos en Licht doorkliefde de hemel in de vorm van withete bliksemschichten. Zo creëerden de drie broers de man Ask en de vrouw Embla om zich te vestigen in Midgard. Om hen te beschermen tegen de verschrikkelijke toorn van de Reuzen gebruikten de zonen van Borr hun laatste kracht om een fort te bouwen op het voorhoofd van het lichaam van Ymir. De Reuzenzonen zouden zich immers voor eeuwig proberen te wreken op Odin. Om hem te jennen zouden ze alvast beginnen met het brutaal afslachten van zijn schepping, de Mens.</p>
<p>Chaos en Licht vonden zo een broos evenwicht. De wereld balanceerde op een dunne lijn in het Niets. Dagen, jaren en eeuwen lieten hun sporen na op de jonge aarde, die al die tijd bang afwachtte. De Chaos trok zich terug in haar donkere krochten…</p>
<br /><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/categories/whatsthatvoice.wordpress.com/5/" /> <img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/tags/whatsthatvoice.wordpress.com/5/" /> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gocomments/whatsthatvoice.wordpress.com/5/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/comments/whatsthatvoice.wordpress.com/5/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godelicious/whatsthatvoice.wordpress.com/5/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/delicious/whatsthatvoice.wordpress.com/5/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gofacebook/whatsthatvoice.wordpress.com/5/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/facebook/whatsthatvoice.wordpress.com/5/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gotwitter/whatsthatvoice.wordpress.com/5/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/twitter/whatsthatvoice.wordpress.com/5/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gostumble/whatsthatvoice.wordpress.com/5/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/stumble/whatsthatvoice.wordpress.com/5/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godigg/whatsthatvoice.wordpress.com/5/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/digg/whatsthatvoice.wordpress.com/5/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/goreddit/whatsthatvoice.wordpress.com/5/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/reddit/whatsthatvoice.wordpress.com/5/" /></a> <img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=whatsthatvoice.wordpress.com&amp;blog=595820&amp;post=5&amp;subd=whatsthatvoice&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://whatsthatvoice.wordpress.com/2006/12/06/norsk-hoofdstuk-1/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
	
		<media:content url="http://0.gravatar.com/avatar/c7515fb5501b1586d16a7eb128d558cc?s=96&#38;d=identicon" medium="image">
			<media:title type="html">lepermessiah</media:title>
		</media:content>
	</item>
	</channel>
</rss>
