3. De Voorbode
De kruinen van de groene sparren wiegden in de kille nachtbries. Wolken hulden de maan in een sluier van verborgen mystiek en kracht. Vreemde schaduwen slopen over het land en verzwolgen hele bergketens in één machtige beweging. Het gras kraakte onder de stille bewegingen van een roedel jagende wolven. Hun grijze vacht glinsterde in het gebrekkige maanlicht. Bijna leek het alsof de wolven gehuld werden in een wolk zilverstof, alsof ze geboren waren in de maan, die dezelfde kleur droeg. De lange tong die tussen hun vlijmscherpe hoektanden bengelde en de hongerige blik in de ogen van de beesten gaf hen iets onwezenlijks. Oermachines gedreven door instinct en passie. Een wolf met brede schouders en een witte staart stopte bruusk en huilde luid naar de maan. Even later weerklonk het gehuil van een andere roedel in de verte, waarschijnlijk achter de volgende heuvel. De prooi, een kudde elanden, was ten dode opgeschreven.
Moeizaam liet de zon haar eerste zonnestralen over Midgard glijden. Het gras op de uitgestrekte vlakte van Vigrond leek zich uit te rekken in de vroege ochtendwarmte. Lui wiegden de groene halmen heen en weer, ze lieten zich gewillig meevoeren door de koele bries. Dezelfde bries beroerde ook het spiegelachtige oppervlak van het Meer van Maelare. Duizenden fonkelende diamanten deinden op en neer op de zwakke golfjes die met een nog zwakkere plof op de oever kapot sprongen. Het Spiegelmeer van Maelare strekte zich ver uit naar het noorden tot het zelf leek te verdrinken in de horizon. Waar het meer in het zuiden eindigde begon de weelderige en vruchtbare vlakte van Vigrond met haar miljarden kwieke grassprietjes die gretig de zonnestralen opslurpten. Ergens ten westen van de vlakte van Vigrond bevonden zich de mensensteden Mannheim en Uppsala op een korte afstand van elkaar.
De kasseien van hun talrijke straatjes glinsterden, de schaduw eindelijk weer verdreven. De houten daken van de huizen kraakten, de nachtvorst was weerbarstig, maar smolt uiteindelijk voor de warmte van de nieuwe dag. Ook de gevederde dorpswekker knipperde met zijn oogjes wanneer de zon zijn veren beroerde. Een beetje suf schudde hij zijn kop en stak de veren op zijn rug terug op hun plaats met zijn snavel. Met een klein sprongetje zat hij op een van de takken van een sterk uit de kluiten gewassen struik. De knoestige oude plant liet zijn tegenzin blijken door luid te kraken, alsof ook hij nog niet wakker wilde worden. Tevergeefs, uit volle borst zette de haan zijn bekende schreeuw in. Het schelle gekraai weergalmde en echode door de smalle straatjes. Hier en daar werden luikjes opengeklapt. De ijzeren hengsels waarin deze werden vastgemaakt piepten zachtjes. Na een tijdje leek het wel alsof Midgard een kuiken was dat uit zijn ei kroop, het zachte gepiep van de luikjes overstemde de stilte van de voorbije nacht. Midgard knipperde met zijn oogjes, de zon keek vrolijk toe vanuit de blauwe hemel.
Wit geschuurd hout weerkaatste het felle zonlicht recht terug naar de hemel. Twaalf mannen met lange witte pijen bewogen zich langzaam richting het centrale gebouw in Uppsala: de Godentempel. Elk van hen had een gift bij. Vijf brachten een levend lam. Doodsbang spartelde de maagdelijk witte beestjes in de armen van hun ontvoerder. Vier mannen hielden een prachtige bos bloemen in hun handen. Felrode en goudgele bloemen met kelken in alle vormen openden zich en keken verlekkerd naar de zon, die hen voedde met haar zoete stralen. Met hun schouders ondersteunden de overige drie een zwaarbeladen kist. Haar harde vlakken waren ingelegd met bladgoud. De sierlijke vormen glinsterden in het prille ochtendlicht. Het grote witte gebouw stond nu pal voor hen. Door de vele vlakken die het gebouw rijk was leek het eerder op een tombe, dan op een tempel. Voor de trappen knielden de mannen voorzichtig neer, hun pijen golfden over de grond als water rond een rivierkei. Elf van de mannen bleven geknield zitten terwijl de twaalfde priester de treden beklom.
Eenmaal sloeg hij zijn vuist tegen de zware eikenhouten poort en sprak:
‘Oh Odin, God der Goden, heden brengen wij u een offer.’ De elf geknielde volgelingen herhaalden deze spreuk. Voor de tweede maal sloeg de twaalfde priester op de poort:
‘Oh Thor, God van Donder, heden brengen wij u een offer.’ Ook deze keer herhaalden de elf de woorden van de twaalfde. Bij de derde en laatste slag op de poort sprak hij de woorden:
‘Oh Freyr, God van Liefde en Vruchtbaarheid, heden brengen wij u een offer.’
‘Voor Odin, Thor, en Freyr. Van nu tot in Walhalla.’, antwoorden de elf als uit één keel. Hun pijen ritselden zachtjes over de kiezels wanneer ze allen rechtstonden. Binnen in de tempel tilde iemand een zware metalen balk uit de hengsels. Een luide klik. De poort opende zich op een kier om de twaalf naar binnen te laten. De lammeren jammerden en spartelden heftig. Hun gejammer stopte abrupt toen de deuren terug in hun zilveren hengsels vielen. De opzichtige gouden figuren die in de muren van de tempel gekerfd stonden keken stilzwijgend toe. De zon glinsterde in hun groeven.
Het angstige geluid van de dieren werd vervangen door een oorverdovende stilte en een kille duisternis. De warmte van de zon werd meedogenloos buitengesloten, zonnestralen kaatsten hulpeloos terug op de dikke witte muren. Ritmisch werd de stilte doorbroken door het getik van houten klompen op de bleke, gepolijste, marmeren vloertegels. Hier en daar brandde een eenzame kaars, het zwakke licht in de duisternis als een genster naast een vreugdevuur. Plechtig, met gebogen hoofd, bewogen de mannen zich naar de centrale kamer. Het gejammer van de lammeren werd nu vervangen door een verslagen gepiep. Geluiden weergalmden in de grote open ruimte om kapot te spatten op één van de drie enorme beelden die vanuit de hoogte neerkeken op het vreemde gezelschap van twaalf.
Thor, god van Donder, geboren uit de hemelse schoot van Sif, vrouw van Odin. Opgetrokken uit het reinste zilver, het zuiverste goud, het helderste marmer, stond links van het gezelschap van de twaalf in gewaden gehulde figuren. Aan zijn voeten lagen de geiten Tanngrisnir en Tanngnjóstr. Bovennatuurlijke wezens die de machtige strijdwagen van Thor door de hemel trekken. Trots keken ze neer op de toeschouwers aan hun voeten. Achter hen zat Thor op een troon van witmarmer. Zijn lange warrige baard was ingelegd met roodgoud, zijn ogen zwart glanzende magmastenen. Het beeld, met een titanisch kuras uit goud en zilver, boezemde angst in. Vriend of vijand leefde in angst voor de pure kracht en devotie van de Natuurgod Thor. Handen als kolenschoppen omsloten een wonderbaarlijk wapen, Mjolnir, ingelegd met goud, zilver, en edelstenen. Gegoten in de vorm van een omgekeerd kruis, en zo zwaar dat zelfs Thor speciale handschoenen nodig heeft om het te zwaaien, ademde het een kracht uit die het hele heelal deed sidderen en beven.
Rechts stond het beeld van Freyr, gezeten op een strijdzwijn met gouden haar. Uit Gullinburstis mond staken twee gevaarlijk lange slagtanden gemaakt uit glanzend marmer. Het beest was een en al spiermassa. Sterke kuit –en rugspieren toonden dat Gullinbursti niet vies was van een bloederig gevecht. Met zijn zwaard in de hand leek het alsof Freyr de toeschouwer uitdaagde tot een duel. Zijn lange zilvergrijze haren wapperden in de wind, zijn kille blik op oneindig. Vaak gezien als de knapste en charmantste god, werden zijn gelaatstrekken hier zorgvuldig weergegeven in het gladde marmer. Harde vlakken werden afgewisseld met zachte glooiingen, een stoere blik met een passionele uitstraling die het hart van eender welk meisje zou doen smelten. God van Vruchtbaarheid en Liefde, broer van de lieftallige Freya, slachter van Reuzen.
Deze twee prachtige beelden verbleekten echter in het bijzijn van het centrale derde en laatste beeld, Odin. God der goden, heerser over alles en iedereen. De imposante figuur, met in zijn ene hand de speer Gungnir, en in de andere de teugels van zijn vurig strijdros Sleipnir, keek met starre blik voor zich uit. Het achtpotige paard bulkte van de spieren. De makers van het beeld hadden de ogen van het beest ingelegd met bloedrode robijnen, en het hematiet van de hoeven glansde griezelig in het zwakke kaarslicht. De manen in roodgoud en de vacht van zwarte lavasteen gaven het edele dier iets demonisch. Het kille vuur van Helheim leek in zijn wake te sluipen. Bovenop de gespierde rug zat de al even indrukwekkende Odin. Een gezicht als een gehavende rivierkei, met dat ene oog dat spookachtig voor zich uit staarde. Het diepblauw van de oogbal, een grote saffier, leek door het niets te snijden. God der Goden en heerser over alles en iedereen, een onmetelijke kracht weergegeven in een prachtig beeld. Vader van Aesir en heerser voor altijd. Koning van de Einherjer, gezeten op zijn troon in de hallen van Walhalla.
Uit de kelen van de jonge dieren stroomde dieprood bloed. De offerstenen werden doordrenkt in het onschuldige lichaamsvocht van de lammeren. Met de bloemen werden kransen gevlochten om over de beelden te draperen. De zware kist vol goud werd aan de tempelmeester geschonken. Twaalf priesters ontdaan van hun zonden, onder het wakende oog van de Goden. De witte muren glansden en weerkaatsten de zonnestralen.
Hier en daar begonnen marktkramers hun waren uit te stellen. Op de hoek van een van de vele smalle straatjes die Midgard rijk was stonden verse broden te dampen in het ochtendgloren. Erik, buurman van Olaf de bakker, gooide het karkas van een koe op zijn grote slagerstafel. In zijn rechterhand hield hij een grote hakbijl, in de andere een gehavende slijpsteen. Kleine vonkjes vielen op de grond wanneer het blad van de bijl over het ruwe oppervlak van de slijpsteen schoof. Enkele meters verderop wandelde Gunnar de Vis naast zijn ezeltje. Het arme beest trok een gigantische kar vol verse vis. Gunnar de Vis was één van de beste en meest gerespecteerde vissers in heel Midgard. Vaak vertrok hij op een dag, niemand wist ooit naar waar of voor hoe lang, om dan enkele dagen nadien terug te keren met een boot vol vis. Gunnars’ gezicht stond vol lange littekens, volgens hem oorlogswonden van zijn heroïsche gevechten met talloze zeemonsters. Nachtelijke dronken straatgevechten leken een iets plausibelere verklaring. De littekens vervormden zijn verschrompelde gezicht en hij had inderdaad iets weg van een lelijke vis, een heel lelijke vis. In alle opzichten was Gunnar een vreemde verschijning, ook zijn boot paste perfect in de mystiek die hem omsloot. Met zijn drakkar, een achtentwintig meter lang oorlogsschip, bezwoer hij de wildste zeeën. Dertig manschappen trokken het gevaarte keer op keer op gang en volgden gewillig Gunnars’ aanwijzingen. Andere vissers lachten Gunnar de Vis vaak uit met zijn oorlogsboot, die eigenlijk helemaal niet geschikt was voor de visvangst. Maar steeds weer was het Gunnar die de grootste lading vis binnenbracht. Gunnars’ vrouw, Yrsa, stond haar lelijke man al op te wachten aan haar viswinkel. Een vuile schort accentueerde haar dikke buik en weelderig achterwerk. Grijze stinkende rook steeg op uit haar beenwitte pijp.
‘Ben je daar dan eindelijk, het werd verdomme tijd!’ schreeuwde Yrsa, die niet op haar mond gevallen was, ‘ik dacht dat je met je afschuwelijke boot de dieperik ingegaan was.’ Korte trekjes van de witte pijp tussen elke zin.
‘Zo snel ben je nog niet van me af Yrsa, lieverd,’ repliceerde Gunnar met een brede grijns op zijn gezicht, en hij bond het ezeltje vast aan een tafelpoot. Uitgeput bleef het arme beest braaf op zijn plaats staan. Gunnar gaf zijn vrouw een kus en deze deed alsof ze er niets van moest weten. Yrsa deed zichzelf graag stoerder voor dan ze werkelijk was, diep binnenin zag ze haar man graag. Zijn lange reizen vulden haar hart met onrust en angst.
‘Waar ga je heen, vissenkop van me?’
‘Dutje doen denk ik,’ geeuwde Gunnar, ‘en dan met de mannen naar de kroeg.’
‘En ik dan, moet ik al het werk alleen doen?’
‘Ja,’ en De Vis sloot de deur achter zich. Met een vreselijke zucht gooide Yrsa de eerste vis op het tafelblad en kapte, lurkend aan haar sneeuwwitte pijp, de kop eraf.
De smerigste kroeg in heel Midgard, Odins’ oog, was heel de nacht open geweest. Hösvi, de kroegbaas, had er nu wel genoeg van. Hij kon het geroep en gejammer van Galinn niet meer aanhoren. Galinn de Gek, de plaatselijke dronkenlap en dorpsidioot, kon amper nog op zijn kruk blijven zitten. Langzaam wiegde hij heen en weer, en elke keer opnieuw leek het erop alsof hij met zijn gezicht op de vuile zwarte tegels van de vloer zou belanden. In de vroege uurtjes werd er vaak geld ingezet op Galinn, zou hij vanavond blijven zitten of met zijn tanden in de tegels bijten? En moest hij dan vallen, hoeveel tanden zou hij deze keer kwijtspelen? Met zijn gezicht op de toog, lag Galinn luidruchtig zijn roes uit te slapen. Bruusk porde Hösvi Galinn met zijn wandelstok.
‘Kom op zuipschuit, maak dat je weg komt.’
De Gek produceerde een diep grommend geluid, net een beer die vroegtijdig gewekt wordt uit zijn winterslaap. Hösvi gaf niet op en ramde zijn wandelstok hardhandig tussen de ribben van het ronkende zwijn.
‘Godvrbrrllbrr, mrrrk gat we weg brrrll,’ pruttelde De Gek.
‘Nee het bier is op, trap het af!’
Die laatste zin leek de doorslag te geven. Een kroeg zonder bier, is een kroeg zonder Galinn. Zich vastklampend aan stoelen en tafels, sukkelde Galinn de Gek naar buiten. Opgelucht haalde Hösvi adem en inspecteerde zijn etablissement. Stoelen en tafels lagen omgedraaid her en der verspreid, scherven van de stenen drinkhorens knarsten onder zijn schoenen, hier en daar lag een bebloede kies. Kroegruzies werden hier aanzien als nationale sport, tanden en bloed vlogen in het rond wanneer twee dronken heethoofden elkanders lelijke kop bewerkten met een kruk. Met de rug van zijn hand onderdrukte Hösvi een geeuw en besloot om alles later op te kuisen. Later, morgen, ooit…Odins Oog was niet voor niet de smerigste kroeg van Midgard. Schel piepend sloot de deur zich, enkele uren rust, om dan weer klaar te zijn voor de volgende lading geweldadige dronkaards en lastige zeveraars.
Zeker vier meter verder nestelde Galinn zich in een smal steegje. Nog voor zijn dikke achterwerk de grond raakte begon het dronken zwijn al terug te knorren. Een dun sliertje kwijl sijpelde uit zijn mond, tussen de vele stoppels van een groezelige baard, om zich zo een weg naar beneden te banen. Voorbijgangers liepen in een wijde boog om hem heen, niet omdat Galinn zo stonk, want dat waren de meesten intussen wel gewend, maar omdat De Gek de gewoonte had om spontaan te beginnen braken op de schoenen van de onschuldige medemens. Handen over zijn buik gevouwen en lustig knorrend, lag hij daar. Het kloppen in zijn hoofd vanavond zou alleen maar genezen kunnen worden met de hemelse smaak van een verse horen bier.
Zelfs het kille graniet moest toegeven aan de opgewekte stralen van de nieuwe zon. Duizenden minuscuul kleine oneffenheden in de zwarte massa reflecteerden het felle licht van de brandende bol hoog in de hemel. Als een sterrenhemel overdag schitterde het immense kasteel van de koning. Voor de inwoners van Midgard, die de fonkelende muren van kilometers ver konden zien, was het zwarte kasteel een toonbeeld van serene schoonheid en veiligheid. De Reuzen daarentegen, vervloekten elke steen van het bouwwerk als een doorn in het achterwerk. Dagrun de Moedige, hun aartsvijand en nemesis, bewandelde de lange gangen van de onbereikbare burcht. Met ijzeren hand sloeg Dagrun er al jaren in het groteske Ras der Reuzen buiten de wallen te sluiten. Omringd door een diepe slotgracht, die op haar beurt bekleed was met metalen spietsen, rezen de muren een tiental meter de hoogte in. Op elk van de acht punten die de muren vormden, stond een ronde uitkijktoren met een puntig dak waarop de vlag van Midgard wapperde. Het rode vaandal, waarop een leeuw en een draak werden weergegeven, symboliseerde moed en vrijheid voor het Ras der Mensen. Slechts één enkele poort gaf toegang tot de vesting. De poort bestond uit meerdere delen elk uit een ander materiaal vervaardigd. Een metalen valhek was de eerste barrière die prompt werd gevolgd door een dikke, met metalen platen verstevigde deur. De scharnieren alleen al waren drie keer zo groot als een mensenhand. Achter deze poort, die trouwens alleen van binnenuit geopend kon worden, bevond zich een tweede valhek. Het zwarte metaal van deze constructie was, zover men wist, uniek in zijn soort: bij extreme hitte kreeg het de typische zwarte kleur en kon men het met moeite plooien en buigen. Eens afgekoeld werd het bijna onmogelijk om het opnieuw te bewerken. Het was alsof het metaal zich maar éénmalig liet bewerken, hoe lang men het ook in het vuur hield, smelten zou het niet meer. Zwartval, zoals men de poort in de volksmond noemde, was de derde en laatste versteviging die de enige poort in het kasteel vormde. In de acht zwarte buitenwallen zaten geen ramen, enkel kleine gleuven. De gleuven boden uitstekende bescherming tegen vijandelijke pijlen zonder het zicht van de verdedigers al te veel te belemmeren. Moesten de Reuzen ooit het kasteel bereiken, dan stonden de potten hete pek al klaar om hen van de muren te branden. Het binnenplein van het kasteel was grotendeels een open ruimte.
Links kon men de stallen van de paarden vinden, het langwerpige gebouw bood voldoende plaats voor een zestigtal paarden. Een tiental van hen behoorden toe aan de koning zelf, de anderen aan zijn elitecavalerie. De barakken van de mannen, alsook het wapenhuis, grensden aan de stallen. De ruiters van de elitecavalerie werden verwacht altijd paraat te zijn, en dus moesten ze naast hun strijdros en wapens slapen. Aan de andere kant rees een sober maar statig gebouw op. Drie verdiepingen hoog torende de verblijfplaats van Koning Dagrun hoog uit boven de rest. Op de benedenverdieping bevond zich de keuken, een gigantische ruimte waar men voor een kleine driehonderdtal mensen spijzen en drank kon klaarmaken. Twaalf grote houtvuren stonden altijd klaar voor om een feestelijk banket te voorzien van geroosterd everzwijn of ander wild.
In de zaal naast de keuken, gescheiden door een fluwelen wandtapijt, stond de bankettafel met aan het hoofd een brede houten troon. Uiteraard mocht deze alleen bestegen worden door de koning zelf. De tweede verdieping van het koningsgebouw kon men zien als een soort vergaderzaal. Een marmeren ronde tafel bood plaats voor een select aantal individuen. Vaak kwam de koning hier samen met de aanvoerders van de bataljons om tactieken te bespreken tegen komende aanvallen. Ook de opleiding van nieuwe rekruten werd hier indien nodig aangepast en verbeterd. Het derde en laatste niveau omvatte de persoonlijke vertrekken van Dagrun. Een royale slaapkamer, een marmeren open haard, kortom alle luxe die een koning toekomt, kon men hier vinden. Kamers waren voorzien voor kinderen, maar tot nu toe had Dagrun nog geen vrouw gevonden om tot koningin te kronen. Hoe hard de adviseurs hem ook aanspoorden om voor een nageslacht te zorgen, Dagrun hield het been stijf en wachtte geduldig de ware af.
Hoog boven op de kantelen van Dagruns vesting paradeerden Vikingkrijgers in vol ornaat. Met hun wijze waakzame ogen hielden ze de horizon nauw in de gaten. De met goud en zilver ingelegde wapenuitrusting, even mooi als dodelijk, gaf hen een strenge en elitaire uitstraling. Het zachte gerinkel van de metalen gespen op hun schoenen werd luidruchtig overstemd door hevig kabaal op het middenplein van de gitzwarte trots van Midgard. Twee mannen met ontblote torsos wentelden er om elkaar heen als kat en muis. De ene, een kloppende ader doorsneed zijn kale gelaat, had in elke hand een korte bijl met een lang houten blad. Zijn tegenstander, een bruine spierbundel met lang zwart haar, had twee handen nodig om zijn houten hamer in bedwang te houden. Onder aanstekelijk gejoel slaagde het schriele mannetje met de bijlen er steeds weer in de houten hamer te ontwijken, als een opgejaagde hond dartelde hij in het rond. De toeschouwers, een olijke verzameling stalknechten en soldaten, zetten kwistig geld in op het duo en het gerinkel van geld overstemde bijna het gehijg en geblaas van de vechtersbazen. Naarmate het gevecht vorderde, en geen van beide kemphanen de bovenhand leek te nemen, nam de stofwolk rond hun voeten toe. Het zweet dat van de lichamen stroomde vermengde zich met het rondvliegende stof. De bruine korst die zich zo vormde op de mannen gaf hen iets brutaals, iets barbaars. Net twee kleipoppen die elkaar de kop probeerden in te slaan.
‘Wel, wel!’ bulderde een diepe stem, en de vechtersbazen lieten spontaan hun wapens vallen. Angstig vielen ze op de knieën en begroeven bijna hun gezicht in de omgewoelde aarde. De statige figuur die rustig aan kwam slenteren was gekleed in een simpele bruine rijbroek met passende bruinleren laarzen en een groen hemd was los gedrapeerd over brede schouders. Zijn rosse haren, net koperdraad met hier en daar een grijze spriet, glansden in het felle zonlicht. Tussen de harde vlakken die zijn gezicht componeerden keken twee staalblauwe ogen die alles en iedereen leken op te slokken. Van ver of van dichtbij, Koning Dagrun de Moedige was een figuur die macht afdwong.
‘Het spijt ons Meester Dagrun,’ mompelde de dikke spierbundel.
‘Noemen jullie dat vechten stelletje nietsnutten?’ grijnsde de koning, een grijns die de twee op de grond volledig ontging.
‘Het zal niet meer gebeuren Sire,’ antwoorde de dikke snel.
‘Be…belooft,’ prevelde de smalle angstig. Stug knepen ze de ogen dicht, als twee kleine kinderen die een pak slaag verwachten. De koning ontblootte nu al zijn tanden, trok zijn groene hemd over het hoofd, en lachte luid. Op het gebeeldhouwde bovenlichaam van Dagrun was geen grammetje vet te bespeuren, de spierlagen overlapten elkaar. Met zijn voet schopte hij een knoestige stok vanonder het stof om deze vervolgens sierlijk op te vangen met zijn rechterhand.
‘Laat maar eens zien wat jullie kunnen!’ grinnikte hij, en wenkte de twee met zijn vrije hand terwijl hij de knoest in zijn andere hand uitdagende rondjes in de lucht liet maken. Met open mond staarden de onderdanen hun koning nu aan, alsof hij wartaal uitsloeg, of misschien te veel gedronken had. Twijfelend stonden ze op en hielden een beetje dwaas hun wapens, de hamer en de korte bijlen, tegen zich aangedrukt. Dagrun zette een stapje naar voor. De Dikke en de Dunne stonden hem nog steeds verstomd aan te kijken. Het gesuis van de tak in Dagruns hand nam alleen maar toe, net een zwerm bedreigde wespen. Door de duizelingwekkend snelle omwentelingen leek het haast alsof de koning plots niet één, maar meerdere takken in zijn hand had. In de ogen van de onderdanen stond nog altijd een blik van totale verwarring, wilde de koning nu een robbertje vechten met twee stalknechten? De stok schoot pijsnel naar voor en tikte de Dikke niet onzacht op het voorhoofd. Ook de Dunne kreeg een stevige por in de ribben.
‘Maar Sire wat…’
De Dunne moest zijn zin genoodzaakt afbreken en zich reppen om een fikse klap van de stok op te vangen met zijn bijlen. De mannen zwegen en concentreerden zich nu op de snelle bewegingen van Dagrun, die de stok van hand naar hand liet springen. De dikke spierbundel waagde het als eerste om een tegenoffensief te lanceren en uit te halen met de zware voorhamer. Behendig als een kat en snel als een tijger bukte Dagrun zich, de hamer zoefde nog net boven zijn hoofd, om te reageren met een stevige tik op de knieschijf van zijn brede tegenstander. De Dunne besloot nu zijn kans te grijpen. Met beide bijlen in de aanslag probeerde hij de koning in de rug aan te vallen. Maar weer wist Dagrun te ontkomen aan de aanval. Hij bewoog zich twee passen opzij, onderschepte de ene bijl met de knoestige stok, en de andere greep hij bij de steel met de blote hand. Vliegensvlug draaide hij een kwartslag naar links en trok zo de bijl uit de hand van de overrompelde Dunne. De rug van Dagruns hand raakte onaangenaam hard de kaak van de smalle opponent en werd het even zwart voor diens ogen. De Dikke, met een grimas van pijn op het gezicht, besloot zich nog niet gewonnen te geven. Strompelend omklemde hij de hamer en begon deze wild in het rond te zwaaien. Als een dolle windmolen probeerde hij zijn meerdere uit evenwicht te brengen. Lichtvoetig ontweek de koning het gemolenwiek. De Dunne, nu met slechts één bijl, sloop langzaam dichterbij. Het stof cirkelde hypnotiserend rond zijn gespannen kuiten, zijn kaak deed pijn. Op de verre achtergrond zwol het gerinkel van muntstukken aan. Met een kreet stortte de Dunne zich op Dagrun. Dagrun, nog steeds de hamer ontwijkend, greep hem echter plotseling bij de nek en slingerde hem met al zijn macht naar de dolle windmolen. Het gewicht van de Dunne, als een lompe zak aardappelen, deed deze bezwijken. Met een schreeuw van pijn zakte de brede man door de knie waarop hij kort daarvoor een dreun had gekregen.
Als twee hulpeloze veulens lagen ze daar, hijgend en verslagen, in een wolk van rondvliegend stof en zand. Hoewel een nederlaag tegen Dagrun niet meer dan normaal was, leken ze toch wel een beetje teleurgesteld. De reacties van de toeschouwers waren verdeeld, zowel grimassen als glimlachen doorspekten de sterk aangezwollen menigte. De meesten onder hen begonnen naar het geld te grabbelen, zij waren slim genoeg geweest om niet tegen hun koning wedden. De rest, waarschijnlijk naïeve nieuwkomers, droop boos op zichzelf af.
‘Niet slecht heren’, glimlachte de koning, en hij reikte de mannen een gespierde hand toe. Verslagen en verlegen maakten ze een snelle buiging en begonnen, een tikkeltje ongemakkelijk, het zand van zich af te slaan.
‘Ik geloof niet dat ik de eer heb gehad jullie namen te leren kennen,’ en hij bekeek de heren van kop tot teen.
‘Ik…mijn naam is Njord, Sire,’ antwoordde de Dunne, gevolgd door een stuntelige buiging, ‘ maar al de jongens hier noemen mij de Dunne.’
‘En ik ben Thorvald Sire, de smid, tot uw dienst,’ zei de Dikke, ‘maar sommigen durven al eens Dikke zeggen.’ Trots wees hij naar zijn dikke armen, staalhard van het harde werk achter de smidse.
‘Njord en Thorvald, Dunne en Dikke,’ lachte te koning hartelijk, ‘ik hou wel van jullie enthousiasme.’
Thorvald en Njord mompelden iets onverstaanbaar, waarschijnlijk omdat ze niet wisten hoe ze moesten reageren op een compliment van de koning. Dagrun krabde, diep verzonken in gedachten, aan zijn stoppelbaard en bleef de mannen stilzwijgend aanstaren.
‘Houden jullie van jullie baan, als stalknecht en smid, hier in het kasteel?’ vroeg hij mysterieus. Vastberaden knikten de twee hun hoofd hevig op neer. In hun ogen zag Dagrun dat ze het ook vurig meenden, en het niet zomaar zeiden omdat hij hun meerdere, hun baas, was.
‘Waarom staan jullie hier dan te vechten als een stel soldaten?’
‘…’
De mannen sloegen hun ogen neer en schuifelden nerveus met hun voeten heen en weer. Gingen ze dan toch nog gestraft worden? Of erger, gingen ze hun geliefde baan verliezen? Was Dagrun, hun koning, dan toch niet de sympathieke man zijn die ze dachten? Geamuseerd bestuurde Dagrun de stille reacties van de mannen.
‘Wat zouden jullie ervan denken…’
‘Maar Sire…’ stamelden de mannen, die angstig probeerden een straf, of zelfs hun ontslag, te ontwijken
‘…ervan denken,’ vervolgde Dagrun luider, ‘om toe te treden tot het leger van Midgard?’
Bijna begonnen de twee weer te protesteren, maar toen drongen de woorden tot hen door. Hun ogen schoten pijlsnel naar omhoog om, voor de tweede keer het afgelopen uur, vol ongeloof naar de koning te staren. Hun mond viel, bijna letterlijk, tot op hun schoenen.
‘Maar Sire, wij zijn maar simpele knechten en…’
‘Is het nu genoeg met dat gemaar!’
Geschrokken sprongen de mannen recht en zwegen wijselijk.
‘Ja of nee?’ vroeg Koning Dagrun kordaat.
‘Natuurlijk Sire, het zou een eer zijn u te dienen,’ repliceerden de Dunne en de Dikke als uit één mond.
‘Morgenvroeg, net na het ontwaken van de zon, verwacht ik jullie hier terug in een gemakkelijke tuniek en stevige schoenen.’
‘U kunt op ons rekenen Sire,’ gevolgd door dezelfde stuntelige buiging.
‘Geniet van jullie laatste dag als stalknecht jongens, vanaf morgen begint het echte werk,’ en met een sierlijke draai van zijn laars in het losse zand liet hij de twee verbijsterde knechten achter zich en begaf zich naar zijn vertrekken.
De grijns verdween van zijn gezicht en een diepe frons plooide zijn voorhoofd dubbel. Een donkere wolk schoof als een sluier voor de zon en sneed haar warme stralen kort af. Hij zou alle manschappen kunnen gebruiken, hij zou hen allemaal hard nodig hebben. Met een luide klap sloot hij de verstevigde deur die zijn vertrekken van de rest van het kasteel scheidde, de galm van metaal op metaal als klokgelui in de torens van Helheim.
Al snel waren alle vissen uitverkocht en bereid boven de zachte houtvuren van de Midgardianen. De broden werden opgegeten, de kruimels aan de kippen gegeven. Einar gespte zijn zwaard op zijn rug, wuifde zijn kompanen gedag, en wandelde langzaam naar huis. Ook de zon leek het stralen beu te zijn en begroef zich terug in de diepe krochten van de horizon. Vanachter de vele luikjes, die alweer gesloten waren, kwam alleen nog het zwakke licht van een eenzame kaars of olielamp. Alleen in Odins Oog werd er luidkeels geroepen en gezongen. Gunnar de Vis liet het bier met grote teugen door zijn keel glijden en hij lachte hartelijk om de schunnige moppen en straffe verhalen van zijn medevissers. Galinn de Gek zat weer heen en weer te wiebelen op zijn kruk, met elke hoorn bier leek zijn evenwicht verder weg te dwalen. ‘Hoeveel tanden zou hij deze nacht verliezen?’ vroeg Njord zich af. Ook Olaf de Bakker was nog wakker, hij kneedde zorgvuldig het deeg dat het brood voor morgen zou worden. Liv zong haar kleine tweeling een slaapliedje, hun gelukzalig geknor verspreidde zich snel vanuit de kribbe en al snel vleide ze zich neer in haar schommelstoel om op haar man te wachten. De vlammen van de open haard deden de schaduwen schuw rond haar stoel springen. De maan bekleedde haar vaste stekje hoog in de hemel en liet haar zachte blauwe licht neerdalen op de dalen en bergtoppen van de Aarde. Midgard sloot zijn oogjes. De mannen snurkten er lustig op los, de vrouwen ergerden zich en vroegen zich af waarom ze met een zwijn getrouwd waren.
Hoog boven in zijn glanzende kasteel lag er echter iemand hopeloos te woelen tussen zijn satijnen dekens. Dagrun kon de slaap maar niet vatten. Nachtmerries bewandelden zijn dromen en besprongen hem vanachter elke hoek en vanuit elke donkere steeg. Links en rechts draaide hij. Op zijn zij. Op zijn rug. Op zijn buik. Het zweet stroomde van zijn voorhoofd terwijl hij daar lag, half verzonken in een droomwereld die maar niet duren wilde. De woorden van de ziener bleven in zijn hoofd spoken: ‘De wolf verslindt de maan, en de horizon brand, Ragnarok!’ De ziener, een oude blinde wijze die de toekomst voorspelde aan de hand van varkensingewanden, was toen schokkend van zijn stoel gevallen. Zijn ogen tolden in zijn oogkassen en het schuim stond hem op de mond. Enkele uren later was de man bezweken, zelfs de meest betrouwbare geneesheren begrepen niet waarom, de man was, voor zijn leeftijd, kerngezond. Dagrun was vandaag een goede vriend en een vader verloren, de ziener had hem opgevoed en was sindsdien zijn raadgever gebleven. Als een vader had hij gewaakt over Dagrun, en over Midgard. Vaak had hij Dagrun geholpen met het doorhakken van knopen en het oplossen van problemen die onoverkomelijk leken. Altijd was hij daar, altijd klaar om te helpen of de juiste woorden te zeggen. Wat nu gedaan? De nachtmerries leken eindeloos…
Enkele uren nadat de nacht haar donkere sluier rond de aarde had gewikkeld en de maan trots schitterde tussen haar duizenden sterren stak een hevige wind vanuit het Westen op. De oude kruinen op de vele bergtoppen die Midgard rijk was kraakten verontwaardigd. Een welgemeende kreet van protest tegen de plotse verstoring van hun nachtrust. Het anders zo rustige water van de fjorden klotste wild heen en weer naarmate de wind steeds harder en harder ging blazen. Donkere wolken kwamen dreigend in flarden aandrijven en bedolven de maan onder een tapijt van absolute duisternis. Net alsof een levende nachtmerrie de maan zonder pardon had verslonden. De luikjes van Mannheim ratelden en piepten, het gekletter zwol aan samen met het gejoel van de wind en vormde zo een oorverdovend geheel. De vrouwen kropen wat dichter bij hun man aan terwijl de kinderen met bange oogjes naar het plafond staarden. Al snel sneden felle bliksemschichten de hemel aan stukken en braakten de wolken dikke regendruppels uit. De aarde leek wel te schudden en te beven. Hier en daar viel dan ook een verweerde schoorsteenpijp van de daken. De doffe ploffen deden Einar meer dan eens wakker schrikken, vrezend voor een nachtelijk verrassingsoffensief van de Reuzen. Het weer trok en sleurde aan Midgard.